Blik op vijfduizend jaar Chinese cultuur

Tentoonstelling: China, 5000 Years. Guggenheim Museum, 1071 Fifth Avenue, bij 89th Street. T/m 3/6. Guggenheim Museum SoHo, 575 Broadway, bij Prince Street. T/m 24/5. Inl 00 1212 423 3500. Catalogus deel 1 $ 55. Deel II wordt deze maand verwacht. De tentoonstelling reist in juli 1998 naar het Guggenheim Museum Bilbao.

Stel je voor: een tentoonstelling met onder meer als speerpunten een grotschildering uit Lascaux, het Joodse Bruidje van Rembrandt, een Schreeuw van Munch, een Malevich, Meret Oppenheims met bont beklede theekopje en een doorgesneden koe van Damien Hirst. En zo'n tentoonstelling noemen we dan: Europa, 5000 jaar.

Iets dergelijks heeft nu het Guggenheim-conglomeraat in New York geprobeerd met China, 5000 Years: honderden voorwerpen, waarmee hinkstapspringend een beschaving wordt geschetst. De Rotonde van het Guggenheim, waar de eerste 4.500 jaren zijn ondergebracht, heeft bepaald niet de afmetingen van het Louvre. De eerste vraag die men zich stelt, is dan ook hoe dit museum erin geslaagd is zo'n omvangrijke cultuur in Frank Lloyd Wrights slakkenhuis te proppen.

Wat bij binnenkomst meteen opvalt zijn de vier gekleurde, zes verdiepingen tellende pilaren die de mooie witte spiraal van het museum ruw doorbreken. Ze symboliseren de windrichtingen die in de Chinese symboliek een belangrijke plaats innemen. Vier meer dan levensgrote terracotta krijgers staan te gluren over de balustrade van de tweede verdieping. Je zou veel meer willen zien van dit spectaculaire, ruim 7.000 figuren tellende leger, opgegraven in de jaren zeventig uit de tombe van Qin Shinhuangdi (ca. 221 voor Christus) in Xi'an.

Naar boven klimmend wordt men overweldigd door de sublieme schoonheid van wat hier te zien is. Behalve recente, archeologische vondsten zijn er circa 500 voorwerpen uit musea in zeventien provincies en uit Beijing en Shanghai. Vele zijn nooit eerder getoond in het Westen. Dat deze Reader's Digest versie van de Chinese cultuur nog enigszins overzichtelijk is, is te danken aan het gelukkige idee om de tentoonstelling niet chronologisch maar naar materiaal in te richten.

Er zijn zeven categorieën: jade, brons, voorwerpen uit graven, keramiek (inbegrepen porselein), sculpturen, schilderijen en calligrafie. Vergelijk zo bijvoorbeeld de gestileerde rammen op een bronzen vat - uit de Shang Periode, ca. 1600-1100 v. Chr. - met de aapjes die aan de takken hangen van een olielamp in de vorm van een mythische boom (ca. 475-221 v. Chr.). De lamp doet nog het meest aan onze Jugendstil denken. En ga van de primitieve aardewerken kom in de vorm van een uil uit de neolithische periode (2600-2000 v. Chr.), via een delicaat zachtgroen geglazuurd vaasje met de glans van een Morandi-stilleven uit de Tang-dynastie (618-907) naar het flamboyante porselein uit de Yuan dynastie (1279-1368), dat naar het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië werd geëxporteerd.

Maar dat de tentoonstelling zou leiden tot 'verder wederzijds begrip van beide regeringen en volkeren', waar directeur Thomas Krens en Zhang Wenbin, algemeen directeur van het Nationale Orgaan voor Cultureel Erfgoed in Beijing op hopen, lijkt me overdreven. Men komt niet verder dan stomme bewondering.

Een ander verhaal vertelt het Guggenheim SoHo. Hier heeft men, ervan uitgaande dat de Chinese geschiedenis - en daarmee de kunst - de laatste anderhalve eeuw in een stroomversnelling raakte, gekozen voor een chronologische opstelling. Eerst vinden we hier de traditionele schilderingen, vooral landschappen en dieren in inkt op opgerold papier en zijde. Ze doen meer denken aan de gratis kalenders van de afhaalchinees dan aan hun superieure voorbeelden in het eerste deel van de tentoonstelling. Uitzondering is het schokkend individualistische zelfportret van Ren Xiong (1823-1857), met zijn realistische kop en ontblote schouder en zijn gestileerde waterval van jas en broek.

Nadat begin deze eeuw de olieverf in China werd geïntroduceerd, ontstonden er modernistische schilderijen. En kort daarna kwamen de expressieve houtsnedes, waarmee linkse kunstenaars hun engagement uitten met de verhongerende Chinese bevolking in de jaren dertig en veertig. De import in 1949 vanuit Moskou van het socialistisch realisme, bracht schilderijen voort die nu nogal parodistisch overkomen, met Mao in de heldenrol in plaats van Stalin, temidden van gelukkige boeren en dappere vechters.

Wie zo naïef was om te verwachten dat bij deze gelegenheid eindelijk ook de meer avant-gardistische Chinese kunstenaars die al enige tijd in Europa in opmars zijn, geïntroduceerd zouden worden, komt bedrogen uit. De selectie hedendaagse kunst die hier de 5000 Jaar moet completeren, is van een voorbeeldig flauw academisme.

Met moet zich dan ook realiseren dat deze hele onderneming enorme politieke en economische belangen dient. De tentoonstelling is tot stand gekomen in zeer nauwe samenwerking met het Ministerie van Cultuur van de Chinese Volksrepubliek en andere Chinese regeringsinstanties (Coca Cola en Ford zijn belangrijke sponsors, Hillary Clinton en Henry Kissinger zijn lid van het erecomité). De kunst hier is dus gesanctioneerde kunst, en daar valt niets onder wat ook maar enigszins tot anti-establishment bestempeld zou kunnen worden. 'Ruimtegebrek' als officieel excuus van het Guggenheim Museum voor het ontbreken van deze kunstenaars, doet onwaarachtig aan. Dan had men beter de hedendaagse kunst maar helemaal kunnen weglaten - te meer daar het Museum nu heeft aangekondigd er een aparte tentoonstelling aan te wijden in 1999. Met deze huidige presentatie wordt de schijn gewekt dat het museum bereid was zich te compromitteren. En dat is een onafhankelijk instituut voor hedendaagse kunst dat zichzelf serieus neemt, onwaardig.