Zaterdagnacht

Schuin tegenover hotel Habana Libre, op de hoek van het Coppelia-park en voor de tegenoverliggende Yara-bioscoop, staan groepjes jongens bij elkaar. Tussen hen in lopen opgemaakte dames, die bij nadere inspectie geen dames zijn. Een rode Lada stopt en de bestuurder steekt zijn hoofd door het raam: 'Waar is vanavond feest?' 'In Jokers. Vanaf een uur of één.'

Op deze hoek, ook wel Info-Gay geheten, wordt dagelijks bepaald waar feesten worden gehouden. Homo-feesten wel te verstaan, maar bij een groeiend publiek zo populair, dat er een gemengd gezelschap op af komt. Het wereldwijde succes van de film Fresa y Chocolate, het relaas van de vriendschap tussen een homoseksuele liefhebber van 'verboden literatuur' en een modelcommunistische - dus hetero - student, heeft een versoepeling jegens de derde sekse in de hand gewerkt.

Op een gegeven moment was het openlucht-gayfeest 'el Periquitón' zo populair dat je hier ieder weekend het trendy uitgaanspubliek van Havana kon aantreffen. Havana werd zelfs een perifere uitgaanszone van de internationale jetset, met el Periquitón als middelpunt. Hoewel aan de rand van de stad en slechts bij ingewijden bekend, moet dit spektakel toch te veel van het goede zijn geweest voor de autoriteiten. In de zomer werd el Periquitón na een grootscheepse politie-inval voorgoed gesloten. Dat er - sporadisch - in drugs werd gehandeld moet het gezag goed zijn uitgekomen. Onder de arrestanten bevonden zich modekoning Jean Paul Gaultier, de Spaanse cineast Pedro Almodovar en zijn steractrice Victoria Abril.

Het weekend na de sluiting van el Periquitón maakte ik mijn vriend Rafael deelgenoot van mijn verlangen kennis te maken met een andere happening, een minder regulier uitgaansalternatief. Ik zag er tegenop de zaterdagavond opnieuw te moeten slijten in een drukke discotheek met vreselijke muziek en opdringerige dames die mij zouden voorstellen mij het paradijs te laten zien.

Rafael keek mij wrevelig aan - de discotheek was juist zijn idee van een geslaagde avond. “Oké”, zei hij, “ik weet wel wat. We gaan naar het Huis van de Japanse Vrouwen.” Toen we in zijn Poolse Fiatje zaten, zei hij: “Let op, je mag daar niets over uitgaansgelegenheden zeggen en zeker niet over el Periquitón. Ze hebben nogal strikte regels.”

We stopten voor een enorme villa. Naast de deur was een plakkaat bevestigd met daarop in vergulde letters 'Ernesto Villagarzón, advocaat'. Rafael klopte aan en duwde de deur open. De hal was aardedonker. We liepen voetje voor voetje naar de huiskamer. Ik was doodsbang dat ik iets om zou stoten. Het rook alsof er vroeger een groene-zeepfabriek was gevestigd.

In het midden van de kamer stond een eettafel. Aan weerszijden stonden vijf Japanse meisjes te glimlachen. Ze bogen naar ons, met samengevouwen handen en riepen in koor 'Hallo Rafael-san, dag Vreemdeling-san'. Ook Rafael boog en ik deed iets dergelijks, zakte door mijn knieën en sloeg met samengevouwen handen een ingewikkeld kruis, waarvan ik dacht dat Japanners dat wel konden waarderen. Rafael kneep in m'n arm en siste: “Niet aanraken, niet zoenen.”

“Ga zitten, Roberto komt zo”, zei de lelijkste van het stel. In V-formatie verdwenen ze naar de keuken. De deur ging open en een gespierde, onberispelijk geklede jongen kwam binnen. Roberto. Roberto-san. Er werd weer gebogen, ditmaal kreeg ik een hand. Hij haalde een kan ijswater en schonk ons in. Zei iets over het nut van huisdieren en hield een verhandeling over de carburateur van zijn Lada.

De deur van de keuken ging open en de Japanse dames liepen achter elkaar naar de tafel en zetten schotels met Japanse lekkernijen op tafel. Vis, kip, rundvlees. Sushi. Een overdaad, hier in Cuba bijna een onmogelijke hoeveelheid voedsel.

Roberto verschoof het onderwerp van gesprek. Over de zondeval, de verleidingen die het leven bracht, over een wereldwijde familie die de wereld weer zuiver zou maken. En of ik iets over mijn geloof wilde vertellen. De Japanse dames keken me verwachtingsvol aan. Maar ik wilde zo snel mogelijk weg.

In de auto keek Rafael me strak aan, met een blik die ik niet van hem gewend was en daardoor aandeed als de prelude van een practical joke. “Roberto is lid van een sekte. Moon heet het, een soort commune. Geen drank, muziek en seks. Je wilde toch naar een alternatief feest?”

Ik gaf me gewonnen: “Oké, neem me maar mee naar een discotheek”. Rafael gaf gas.

    • Ivo Teulings