Vriendin

Ze is te lang aan het woord. “Nou ik”, mompel ik en geef mijn standpunt. Het gaat over seks. Iets dat me wel interesseert en bovendien kom je er hier altijd te kort van.

“Ho, ho, maar dat gaat zo maar niet”, schampert Paul de Leeuw. Hij lacht. Zijn hoofd barst bijna uit het beeld. Indringend kijkt hij me aan en het lijkt net alsof hij voor me staat. Ik lach terug en vertel opnieuw mijn verhaal. Maar hij ziet me al niet meer staan. Hij kijkt alweer de zaal in en ik voel me hopeloos voor jan lul staan.

“Fuck you”, schreeuw ik en probeer een ander. Nu praat ze te hard. Ik stel haar wat bij. Maar niet teveel. Want dan hoor ik die stemmen van hiernaast weer en daar heb ik al helemaal geen zin in.

Rechts van me denderen kamelen, hun Allah-klanken snijden dwars door me heen; links van me zevert schepijs: mierzoet en soms wat schuim er bovenop - “Va bene, arrivederci, ciao ciao....”: Het is 0.30 uur en het zijn er nog 6 tot de thee. Ik doe het licht uit en ga op bed liggen. Alleen haar kleuren zijn er nu nog. Ze razen door de cel; soms fel, soms zacht, soms verwarrend, soms stil. Er wordt een man neergeschoten, rochelend gaat hij onderuit, overal bloed en daarboven witte, wegdraaiende ogen. “This is for you, asshole”, schreeuwt de dader.

“What about you”?

Angstig kijkt hij in het rond. Het lijkt alsof hij me hoort. Maar ook hij is alweer weg. Ik probeer een ander. In geweld heb ik even geen zin; vandaag is er nog eentje vlak voor me in elkaar geslagen. Een man en een vrouw beginnen elkaar te kussen. Daarna vleit hij haar op de grond. Gewillig doet ze wat hij zegt.

“Are you comfortable”, bronst de man.

“As comfortable as I can be”. Ze spreidt haar benen. Haar verlangen zindert door mijn lichaam en even loop ik met mijn handen over haar heen. Maar ook dit red ik niet. Als je al een jaar zonder zit, is soms zelfs zo'n beeld nog teveel.

Ik probeer een ander. Maar er zijn er niet meer. Overal is sneeuw: langgerekte tranen die me nog treuriger maken. Ik zet haar uit. Ik laat haar zelfs niet op sneeuw gaan. Soms zijn er van die nachten dat het tussen ons klikt.

“Ciao ciao”, kwekt hiernaast.

“Allah, allah”, raspt de andere kant.

Ik stop mijn hoofd onder het laken. Net als toen ik kind was. Maar ook daar hoor ik de bajes nog. Ik loop naar het raampje. Misschien dat de maan helpt? Maar ook zij ligt in diggelen: Zeven kleine traliestukjes en daartussen dwarrelt regen. Als een wilde begin ik erop in te beuken. Even zijn ze me teveel. Al een jaar lang probeer ik de hele maan te zien en nooit kom ik verder dan die vervloekte stukken. Langzaam kom ik weer tot bedaren. 'A.T., 90-94' staat op een tralie. Misschien heeft hij ook zo gestaan. Net als ik. Moederziel alleen met zeven manen; en voor de rest niks.