Restricties voor omroepen

De publieke omroepen kunnen niet onbelemmerd nevenactiviteiten ontplooien. Het Commissariaat voor de Media tracht duidelijkheid te scheppen.

ROTTERDAM, 11 MAART. Mag de EO het vrouwenblad EVA blijven uitgeven en de TROS het blad TV Extra? Kan de NOS particperen in de uitgave van een sportbladannex-televisiegids? Kan de TROS aandeelhouder blijven van de productiemaatschappij GBTV als dat bedrijf ook voor andere omroepen gaat werken?

Dit zijn kwesties die het Commissariaat voor de Media de afgelopen maanden voorgelegd heeft gekregen en die het Commisariaat vanaf 15 maart zal gaan beoordelen aan de hand van een nieuwe richtlijn over nevenactiviteiten van de publieke omroepen.

De nieuwe richtlijn is een gevolg van de liberalisering van de Mediawet, die per 1 september vorig jaar van kracht is geworden. Om omroepen meer mogelijkheden te geven om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen op mediagebied - zoals de opkomst van themakanalen en nieuwe informatiediensten als Internet - werden de wettelijke mogelijkheden voor de omroepen om zich met deze nieuwe activiteiten bezig te houden, verruimd. “Maar er zijn wel regels gesteld”, zo voegt Dick Benschop, als commissaris financieel toezicht verantwoordelijk voor het toezicht op deze activiteiten, er meteen aan toe.

Voordat de wet was geliberaliseerd, moesten omroepen voor elke nevenactiviteit vooraf toestemming vragen aan het Commissariaat. Maar dat gebeurde lang niet altijd. Het Commissariaat stuitte vaak bij toeval op nevenactiviteiten. Een nieuw register, waartoe ook derde partijen toegang zullen hebben en waar alle activiteiten moeten worden gemeld, moet daaraan een einde maken.

Het Commissariaat zal de nevenactiviteiten beoordelen aan de hand van drie criteria. De nevenactiviteit mag geen nadelige invloed hebben op de uitvoering van de hoofdtaak van de omroep, het maken van programma's. De nevenactiviteit moet ook een relatie hebben met die hoofdtaak. Benschop: “De AVRO kan bijvoorbeeld geen cafés gaan exploiteren.” En de nevenactiviteit mag niet leiden tot concurrentievervalsing met andere aanbieders van vergelijkbare goederen of diensten.

Dat laatste heeft tot gevolg dat omroepen niet langer reclame mogen maken voor omroepbladen in hun eigen zendtijd. Daarvoor moeten ze gewoon reclamezendtijd inkopen bij de STER. De omroepen mogen straks alleen nog oproepen uitzenden om lid van de omroep te worden. Het abonnement op een gids en het lidmaatschap van een omroep zijn sinds dit jaar losgekoppeld.

Onduidelijk is nog hoe de bevoegdheden van het Commissariaat zich verhouden tot die van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), die waakt over eerlijke concurrentieverhoudingen. In principe is het mogelijk dat een partij bij het Commissariaat én bij de NMa een klacht indient, erkent Benschop. “Goed overleg moet dit soort forum-shopping voorkomen”, zegt hij. Op papier is er echter nog niets over vastgelegd.

De nevenactiviteiten moeten in principe kostendekkend zijn en de opbrengsten moeten worden gebruikt voor programma's. Het is niet toegestaan om nevenactiviteiten te bekostigen uit de omroepbijdrage. Uitzondering hierop vormen activiteiten op Internet.

Het blijft voor omroepen als de TROS en de EO toegestaan om op Internet advertenties en zogeheten 'hyper-links' te hebben met onder andere reisbureaus. Benschop: “Internet valt niet onder de Mediawet. Als nevenactiviteit worden activiteiten van de omroepen op het net door ons wel getoetst, maar de reclamebepalingen van de Mediawet zijn op Internet niet van toepassing. Internet is een vrij domein. Dat is ook het leuke ervan. Ik zie op korte termijn geen reden om dat te gaan reguleren.”