Ontslagen 'zingende politieman' wil eerherstel

De 'zingende politieman' Franklin Brown vindt dat hij ten onrechte is veroordeeld wegens seksuele intimidatie van vijf vrouwelijke politiecollega's. Hij ging in hoger beroep omdat zijn zangcarrière op het spel staat.

DEN HAAG, 11 MAART. De cel hoeft hij niet meer in, maar of zanger en ex-politieman Franklin K. in hoger beroep ook het eerherstel krijgt dat hij wil, is de vraag. Als het aan de procureur-generaal ligt, in ieder geval niet. Haar eis was gisteren conform de eerdere uitspraak: vijf maanden gevangenisstraf waarvan vier voorwaardelijk en een geldboete wegens seksuele intimidatie van vrouwelijke politiecollega's.

Franklin K., die in 1996 bekend werd nadat hij met zangeres Maxine het Nationale Songfestival won, zat al een maand celstraf uit in voorarrest. Hij is beschuldigd van het ongewild betasten van vijf vrouwelijke collega's. Hij zou zich jarenlang tegen hun wil tegen hen hebben aangedrukt, hen op schoot hebben getrokken, hun borsten en billen hebben betast en hen hebben gedwongen aan zijn penis te voelen. Aan de zangcarrière van Franklin K., beter bekend als de 'zingende politieman' Franklin Brown, kwam een abrupt einde toen hij wegens die beschuldigingen begin vorig jaar werd gearresteerd. Als agent is hij ontslagen.

Complicerende factor in de zaak is dat ten minste drie van de vrouwen Browns avances niet helemaal afwezen: klaagster Chantal stuurde hem erotische e-mails en had een kortstondige seksuele relatie met hem. Aangeefster Judith nodigde Brown bij haar thuis uit voor een nekmassage en klaagster Sigrin liet hem per e-mail weten zijn “zachte hand” te missen op haar billen.

“Mijn cliënt moest de gave van een derde oog bezitten om daaruit op te maken dat zij niet gediend was van zijn gedrag”, aldus Browns advocaat, A. Moszkowicz, gisteren bij het Hof te Den Haag. Voor alle vijf vrouwen geldt volgens Moszkowicz dat zij nooit duidelijk 'nee' zeiden tegen Brown's handtastelijkheden. “Een giechelend 'niet doen Frank' is niet voldoende”, meende hij.

Over eén ding was de procureur-generaal het eens met de verdediging: de sfeer op het bureau in Rotterdam was seksueel geladen en handtastelijkheden waren er aan de orde van de dag. De zaak-Brown is daarmee exemplarisch voor de macho-cultuur bij de politie, die door steeds meer korpsleidingen als een probleem wordt gezien. De procureur-generaal noemde een landelijk onderzoek van de Erasmus Universiteit in 1993 waaruit bleek dat een grote meerderheid van de politievrouwen wordt geconfronteerd met ongewenste omgangsvormen. Verzet tegen die cultuur leidt tot uitstoting uit de 'groep'. Dit mechanisme verklaart volgens haar het gedrag van de vrouwen: het was meedoen of verzuipen.

Ook Moszkowicz noemde de frivole omgangsvormen op het Rotterdamse bureau, maar volgens hem was dat voor zijn cliënt juist een verzachtende omstandigheid. Iedereen deed mee, hoe moest Brown dan weten dat hij te ver ging? Maar Brown was wel de gangmaker, zei de procureur-generaal, hij had zelf grenzen moeten stellen. Ze wees op de ongelijkheid: de vrouwen waren aanmerkelijk jonger, kleiner van postuur en lager in rang dan Brown. “Vrouwen horen zo niet te worden benaderd. Het is een publiek belang dat wij een onberispelijk politie-apparaat hebben dat vertrouwen inboezemt. Brown ondermijnde dat vertrouwen”.

Brown spande het hoger beroep vooral aan om “principiële” redenen. Moszkowicz, die vrijspraak bepleitte, zei nooit eerder te hebben meegemaakt dat in een dergelijke zaak het strafrecht werd ingezet. “Twee partijen hebben schuld. Waarom is dit conflict niet intern opgelost?”, vroeg hij. Brown ambieert een zangcarrière. Daarom is eerherstel zo belangrijk voor hem.

Uitspraak: 24 maart.