Niet alleen uitblinkers in topscholen

Maandag zijn zes onderzoeksinstituten verheven tot 'topscholen' die kunnen rekenen op veel extra subsidie. De selectie is omstreden.

ROTTERDAM, 11 MAART. Als slechte verliezer wil prof. B. Wieringa, celbioloog te Nijmegen, niet te boek staan. Maar “gefrustreerd” is hij wel. Zes grote onderzoeksscholen zijn maandag door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) aangewezen als 'topschool'. Zijn eigen Institute of Cellular Signalling was er niet bij; al bij een eerdere schifting was hij te klein bevonden. Maar volgens Wieringa treedt bij grote topscholen een 'bagage-effect' op: “Er zitten wel top-wetenschappers in, maar minder goede collega's reizen mee op de bagage-drager.” Zij profiteren ten onrechte mee van de eer en subsidie voor de topscholen.

Welke onderzoekers in Nederland behoren volgens de NWO wel tot de absolute top? G. Hadziioannou, hoogleraar polymeerchemie in Groningen en directeur van het Material Science Centre, bijvoorbeeld. Heerlijk, roept hij, onderzoek! Voor hem zijn de bureaucratische perikelen nu onbelangrijk geworden. “Vanaf het moment dat ik hier acht jaar geleden kwam uit de VS, heb ik geprobeerd consensus te krijgen over dit project”, zegt hij. “Nu hoeven we niet meer elke zes maanden opnieuw geld aan te vragen.”

De hiërarchie binnen de Nederlandse wetenschappelijke wereld - die al sinds een paar jaar is opgedeeld in ruim 110 onderzoeksscholen - is deze week officieel gevestigd. In de onderzoeksscholen werken wetenschappers van verschillende universiteiten samen op één gebied. Als minister Ritzen (Wetenschappen) in april de aanwijzing van de zes topscholen bekrachtigt, krijgen zij een voorsprong die door de rest moeilijk in te halen zal zijn. De topscholen kunnen tien jaar lang aanspraak maken op jaarlijks drie tot tien miljoen gulden extra subsidie.

Volgens Hadziioannou kenmerkt zijn topschool, waarin alleen Groningse wetenchappers participeren, zich door een nonconventionele aanpak dankzij een nauwe samenwerking tussen natuurkundigen, chemici en biochemici. Vol vuur begint hij te vertellen over het belang daarvan. “Neem een bot. Dat is uit zoveel niveaus opgebouwd, met telkens weer ander functies: op het microscopisch niveau de stevigheid, op het macroscopisch niveau juist weer de flexibiliteit. Of het menselijke oog, dat een prachtig model vormt voor fotovoltaïsche omzettingen van de ene vorm van energie in de andere.”

Naast die in Groningen, zijn er ook andere topscholen aangewezen waar de Nederlandse industrie belang bij heeft. Zoals de fotonica in de communicatie-technologie, aan de Technische Universiteit Eindhoven, waar Philips van profiteert en de chemische ontwerpen voor katalyseprocessen (in Amsterdam, Delft, Eindhoven, Groningen, Utrecht en Leiden) waar Shell, Unilever en DSM wat aan hebben.

Ook de medische wereld is vertegenwoordigd. Op het Kankerinstituut in Amsterdam heeft R. Bernards, hoogleraar moleculaire carcinogenese in Utrecht, de champagne laten knallen, samen met de veertien hoogleraren die deel uitmaken van de gelegenheidsformatie Centre for biomedical genetics. “Als de aanvraag niet was toegewezen, waren we in onze bestaande onderzoeksscholen blijven werken. Die blijven trouwens ook bestaan, die topschool is weer een samenwerkingsverband erboven op”, aldus Bernards. De aanvraag voor de toponderzoeksschool - “168 bladzijden, vooral curriculum vitae's en publicaties hoor” - is gedaan omdat de vijftien hoogleraren mee wilden gaan in de schaalvergroting en technologische vernieuwingen in het genetische onderzoek van de laatste jaren. “In de jaren tachtig kon je nog wel in je eentje een heel eind komen.” Die tijd is over, volgens Bernards. Hij verheugt zich op het peperdure DNA-chip-analyseapparaat dat dankzij de nieuwe topsubsidie kan worden aangeschaft.

Wieringa vreest dat de kwaliteit van de wetenschappers en hun onderzoeksvoorstel niet het doorslaggevende criterium is geweest om te worden aangewezen als 'topschool'. Omvang van de onderzoeksschool en het tempo waarin ze werd gevormd, waren belangrijker, vreest hij. “NWO had haast. Vorig jaar zomer is het plan voor topscholen gelanceerd en vóór september moest er al een lijstje criteria liggen.”

Toch maken ook gepasseerde onderzoeksscholen nog kans op het predikaat 'top'. Over drie jaar zal een internationale NWO-commissie nog eens vijf tot tien onderzoeksscholen selecteren. De selectie is verdeeld in twee termijnen omdat de sociale- en gedragswetenschappers slechter georganiseerd zijn dan hun bèta-collega's. Een sterke, grote organisatie en onderlinge consensus over het gewenste onderzoek zijn twee belangrijke voorwaarden om een topschool te worden.

De overheid dreigt geld te verspillen door de grootschaligheid van de top-onderzoeksscholen, waarschuwt de Leidse hoogleraar A.F.J. van Raan, die de vorderingen van wetenschappen en technologie onderzoekt. Volgens hem zouden de “peanuts” die de overheid nu aan wetenschappelijk onderzoek besteedt beter ook kunnen gaan naar de kleine onderzoeksscholen, die nu achterblijven. “Je kunt beter álle top-wetenschappers extra subsidiëren, ook al werken ze maar met zijn vieren binnen één vakgroep, dan alleen grote logge gelegenheidsformaties. Nu worden veel academische kroonjuwelen verwaarloosd.”