'Ministerie moet meer uitstraling krijgen'; Gesprek over herijking van buitenlands beleid

Met de herijking van het buitenlands beleid gaat het nog niet best. De secretaris-generaal kan de kritiek van KPMG onderschrijven.

DEN HAAG, 11 MAART. Het is nog niet zó lang geleden dat de secretaris-generaal op het ministerie van Buitenlandse Zaken vooral een administratief werkzame figuur was, die in gewicht niet of nauwelijks kon worden vergeleken met zijn collega's op andere departementen. De 's.g.' op BZ, hoewel ook daar hoogste ambtenaar, ging vaak schuil achter de directeur-generaal politieke zaken (DGPZ), eerste beleidsadviseur van de minister, en andere invloedrijke directeuren-generaal.

Maar dat is zeker niet meer het geval sinds minister Van den Broek (CDA) in september 1992 zijn toen pas 39 jaar oude partijgenoot Dirk Jan van den Berg van Economische Zaken, waar hij even eerder plaatsvervangend directeur-generaal industriebeleid was geworden, naar Buitenlandse Zaken haalde en hem als 'nieuwkomer' parachuteerde in de rang van secretaris-generaal. Van den Berg, die in Groningen wiskundige economie studeerde en in de jaren tachtig in Parijs anderhalf jaar de Ecole Nationale d'Administration bezocht, zou op BZ, aan de 'andere kant' van de Haagse Bezuidenhoutseweg, al spoedig de spil van het ambtelijk apparaat worden.

Koel, scherp, niet alom bemind, maar geducht als de effectieve manager die Van den Broek in hem had gezien.

Dat werd niet minder toen de in organisatiekwesties niet zó geïnteresseerde D66'er Hans van Mierlo in 1994 minister werd in een paarse coalitie die de lang besproken herijking (de departementale integratie) van het buitenlands beleid in haar programma had staan. Daardoor werd de rol van Van den Berg nog belangrijker. Sterker, hij zou de ambtelijke architect worden van de in het najaar van 1995 begonnen herijkingsoperatie, een politiek noodzakelijke, maar naar ambtelijke maatstaven hoogst ambitieuze onderneming.

Minister Van Mierlo verloor een deel van de integratieslag al voor het begin van de herijking van zijn in budget, deskundigheid en ambitie sterkere collega Pronk (Ontwikkelingssamenwerking).

Twee weken geleden bevestigde Van Mierlo dit onbedoeld met een late klaagzang over competentiekwesties in een ongewoon ongedwongen dubbelinterview met Pronk in het blad Internationale Samenwerking. Weer twee weken later, gisteren, is Buitenlandse Zaken met een rapport van het adviesbureau KPMG naar buiten gekomen. Daarin wordt bevestigd wat velen in Den Haag allang dachten: met de herijking gaat het nog niet zo best. Verrassender misschien nog is de kritiek die ook de ambtelijke leiding van BZ (Van den Berg zelf en de directeurengeneraal) van het bureau krijgt. En wat deed Van den Berg? Hij onderschreef de kritiek met een mea culpa en een strenge 'management letter' aan de medewerkers. Hij wilde ook wel een paar vragen beantwoorden.

Kunt u de ambtenaren van het ministerie in uw brief wel zo scherp de les lezen wegens te weinig geïntegreerd opereren, wanneer de ministers Pronk en Van Mierlo nog openlijk allerlei competentiegeschillen bespreken?

“Die dingen staan los van elkaar. Ik schrijf over dingen waar ik over ga. Politieke geschillen moeten straks in de kabinetsformatie worden geregeld. Ik neem niet deel aan dat politieke debat. En de vier directeuren-generaal van het ministerie doen dat ook niet.”

Maar er zijn in de departementale structuur toch dingen die bijna tot moeilijkheden uitnodigen? Waarom zijn bijvoorbeeld de voorlichtingsafdelingen van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking niet allang geïntegreerd en heeft minister Pronk nog maar kort geleden een nieuwe eigen woordvoerder, een gewezen Kamerlid, benoemd?

“Daar ga ik niet op in. Er is een politieke afspraak gemaakt dat beide ministers een eigen voorlichtingsapparaat zouden houden. Dat aanvaard ik als gegeven.”

Minister Van Mierlo wil zijn coördinerende hoofdrol formeel bevestigd zien, en hij heeft zo'n bevestiging ook van premier Kok gekregen. Dat is volgens u niet genoeg?

“Ik blijf buiten die politieke discussie. Maar voor mij staat vast: wij van Buitenlandse Zaken moeten andere departementen elke keer weer laten zien wat voor meerwaarde wij in kennis en effiency hebben voor zo'n coördinerende rol. De politici moeten een duidelijk beeld krijgen van de opties die zij hebben. Het heeft geen zin om alleen te redeneren volgens de belangen van het hoekje waar je als ambtenaar vandaag komt. Dit ministerie moet een meer nationale en internationale uitstraling krijgen en dus ook een meer nationale én internationale oriëntatie. U vindt dat ik de medewerkers een nogal strenge brief geschreven heb? Maar dat was juist de bedoeling van mijn management letter.”

Geschrokken van de kritiek, denkt u al aan een andere baan?

“Nee, ik zit hier nu ruim vijf jaar en ik heb het geweldig naar mijn zin. Ik vind het plezierig om zo'n veranderingsproces van a tot z te begeleiden. Dat was toendertijd ook de uitdrukkelijke bedoeling van Van den Broek.”

    • J.M. Bik