Het personele element in ons kiesstelsel moet sterker

Een kiesstelsel dat alle voordelen heeft van de evenredige vertegenwoordiging, maar gekenmerkt wordt door een sterkere band tussen kiezer en gekozene, is een lang gekoesterde wens. Op verzoek van staatssecretaris Kohnstamm ontwierpen J.A. van Schagen en H.R.B.M. Kummeling een voorstel voor een nieuw kiesstelsel, dat vandaag is gepresenteerd.

Discussies over het beste kiesstelsel zijn van alle tijden en worden in alle democratische staten met enige regelmaat gevoerd. Hieruit kan enerzijds geconcludeerd worden dat een kiesstelsel bijzonder belangrijk is voor de vormgeving van een democratie en anderzijds dat het ideale kiesstelsel blijkbaar niet bestaat.

In Nederland is de discussie over het kiesstelsel begin jaren negentig weer nieuw leven ingeblazen door de commissie-Deetman, een Tweede-Kamercommissie onder voorzitterschap van de toenmalige Kamervoorzitter, waarvan onder meer alle fractievoorzitters van de grote fracties deel uitmaakten. Deze commissie stelde dat het met de band tussen kiezers en gekozenen slecht was gesteld in Nederland en dat hierin verbetering gebracht kon worden door een ander kiesstelsel.

Deze constatering heeft geleid tot een kabinetsvoorstel voor een gemengd kiesstelsel: de helft van de Kamerleden zou volgens het bestaande kiesstelsel op basis van evenredige vertegenwoordiging moeten worden gekozen en de andere helft in vijf kiesdistricten. De Tweede Kamer was in meerderheid tegen dit voorstel, omdat het niet echt de band tussen kiezer en gekozenen zou verbeteren. De districten waren daarvoor te groot. Bovendien zou het voorstel in het nadeel van kleinere partijen uitpakken, aangezien de kiesdrempel vrijwel verdubbeld werd.

Tijdens de discussie over het regeringsvoorstel gaf een aantal Kamerleden echter te kennen op zichzelf niet onwelwillend te staan tegenover een nieuw kiesstelsel naar Duits model. Staatssecretaris Kohnstamm heeft daarop mijn collega H.R.B.M. Kummeling en mij gevraagd een kiesstelsel te ontwerpen waarin het personele element een belangrijkere rol kan spelen en dat niet de nadelen van een gemengd kiesstelsel heeft.

Onder versterking van het personele element verstaan wij uitbreiding van de mogelijkheden van de kiezer de personele samenstelling van de Tweede Kamer te beïnvloeden. Anders gezegd: de kiezer moet meer zeggenschap krijgen over de aanwijzing van de personen die daadwerkelijk zitting krijgen in de Tweede Kamer.

De achterliggende gedachte hierbij is dat wanneer de kiezer meer invloed krijgt op de personele samenstelling van de Kamer, Kamerleden en kandidaat-Kamerleden zich, meer dan nu wellicht het geval is, zullen richten tot die kiezer om zich te verantwoorden voor het door hen voorgestane beleid.

Waar komt ons voorstel nu in de kern op neer? Net als in het huidige kiesstelsel verloopt in ons voorstel de bepaling van de uitslag van de verkiezingen in twee stappen. Eerst wordt bepaald hoeveel zetels iedere partij krijgt en vervolgens wordt bepaald welke personen die zetels zullen gaan bezetten.

Voor wat betreft de eerste stap wijkt ons voorstel niet af van het huidige kiesstelsel. Op dezelfde wijze als nu, via een landelijk stelsel van evenredige vertegenwoordiging, wordt bepaald hoeveel zetels iedere partij krijgt. Het voorstel heeft dus geen consequenties voor de krachtsverhoudingen tussen de partijen in het algemeen en de positie van de kleine partijen in het bijzonder.

Het kiesstelsel dat wij voorstellen wijkt slechts van het bestaande af als het gaat om de tweede stap, de invulling van de zetels met concrete personen. In het voorstel wordt namelijk Nederland in vijftien kiesdistricten onderverdeeld. Iedere provincie en de drie grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag vormen een district. In deze districten wordt per 150.000 inwoners één Kamerlid aangewezen. Het resultaat is dat honderd Kamerleden rechtstreeks door de kiezers worden gekozen en dat niet, zoals nu, de meeste Kamerleden op de slippen van de lijsttrekker de Tweede Kamer binnenkomen. De bezetting van de overige vijftig zetels heeft plaats aan de hand van lijsten die door de partijen voor de verkiezingen zijn opgesteld.

Om de kiezer optimaal de gelegenheid te geven zijn voorkeur aan te geven, krijgt hij op het stembiljet de mogelijkheid de kandidaten te nummeren in de volgorde van zijn voorkeur. Hij kan daarbij zijn voorkeur over verschillende partijen spreiden. Bijvoorbeeld in het district Amsterdam kunnen kiezers Kok nummer één geven en Bolkestein nummer twee. Bij de toekenning van de zetels wordt met deze nummering rekening gehouden. Indien een kandidaat die is gekozen, meer stemmen heeft gekregen dan nodig is, worden de overtollige stemmen volgens een bepaalde verdeelsleutel overgedragen aan de kandidaten die door de kiezers als tweede voorkeur zijn aangegeven. En indien de kandidaat van de tweede voorkeur is gekozen, gaan de stemmen over op de kandidaat die van de kiezer nummer drie heeft gekregen, enzovoort.

Om misverstanden te voorkomen: er heeft maar één stemming plaats. Voor het bepalen van de zetelverdeling tussen de partijen, de eerste fase van de uitslagbepaling, wordt ervan uitgegaan dat de kiezer de partij van de kandidaat van zijn eerste voorkeur steunt.

Naar onze mening versterkt dit kiesstelsel het personele element in belangrijke mate, omdat de kiezer, veel meer dan nu het geval is, invloed krijgt op de vraag welke personen de zetels in de Tweede Kamer zullen gaan bezetten. Onder het huidige stelsel is dit vooral een zaak voor de partijen, omdat deze de volgorde op de kandidatenlijst bepalen en het niet eenvoudig is voor kandidaten om zoveel voorkeurstemmen te halen dat de lijstvolgorde wordt doorbroken.

Veel is de laatste jaren gezegd over de band tussen kiezers en gekozenen. Bestreden is dat een slechte band tussen beiden zou bestaan. Het is niet eenvoudig om wetenschappelijk verantwoorde uitspraken hierover te doen. Wat we wel kunnen constateren is dat Tweede-Kamerleden zelf van mening zijn dat ze onvoldoende hun boodschap aan de kiezers kunnen overbrengen. Ook wordt in de internationale literatuur over het kiesstelsel algemeen als bezwaar genoemd van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging, zoals dat onder andere in Nederland is vormgegeven, dat er in vergelijking met bijvoorbeeld het Britse meerderheidsstelsel bijzonder weinig contacten bestaan tussen de gekozenen en de kiezers.

Voor een verbetering van de band kiezer-gekozene kan niet alle heil van de aanpassing van het kiesstelsel worden verwacht. Wij menen echter dat de door ons voorgestelde versterking van het personele element bij de verkiezingen wel degelijk een bijdrage kan leveren. Daarnaast kan deze versterking van de positie van de kiezer als een zelfstandig doel beschouwd worden: namelijk een versterking van de democratie.