Fusies: we proberen het en we kijken hoever we komen

Reed Elsevier en Wolters Kluwer bliezen een aangekondigde fusie af. De schuld van Brussel, zeiden ze. Of de Europese Unie instemt met grootschalige fusieplannen valt alleen te ontdekken via 'trial and error'.

AMSTERDAM, 11 MAART. Fusies worden aangekondigd, fusies worden afgezegd. Weten bedrijven dan niet hoe het toegaat in Brussel? Laten ze zich niet uitleggen wat ze daar kunnen verwachten? Vraag het aan McKinsey of de andere grote adviesbureaus - geen antwoord. “Wij doen geen mededelingen over onze cliënten of over onze potentiële cliënten.” Vraag het aan werkgeversvereniging VNO-NCW of aan het ministerie van Economische Zaken - geen mening. “Die matigen we ons niet aan.” Geen verbazing ook. Nou ja, bij Economische Zaken wel, als je even doorpraat. Dan zegt de woordvoerder dat er in Nederland nog zo weinig ervaring is met de internationale mededingingsregels dat trial and error blijkbaar de enige weg is om erachter te komen wat wel en niet wordt geaccepteerd. “En we hebben in Nederland nog geen schat aan deskundigen die zich verdienstelijk hebben gemaakt op dit terrein.”

Geen schat aan deskundigen, dat klopt. Maar ze zijn er wel en ze zitten bij de grote advocatenkantoren. Bij De Brauw Blackstone Westbroek. Bij Loeff Claeys Verbeke. Bij Stibbe Simont Monahan Duhot. Bij noem nog maar een paar klinkende namen. Die hebben allemaal mensen in huis die elke letter kennen van de Europese antikartelrichtlijnen. En ze willen er ook wel over vertellen omdat ze zich, zeggen ze, ergeren aan de wijze waarop de mislukte fusie tussen Reed Elsevier en Wolters Kluwer wordt gepresenteerd: alsof het de schuld van Brussel is.

Maar wat een pech: deze gespecialiseerde advocaten - ongeveer vijftien in heel Nederland - zijn ook bijna allemaal betrokken bij de zaak. “Ik kan hierover niet in de openbaarheid treden.” Twee van hen vinden dat ze wel wàt mededelingen kunnen doen, “als ik maar geen Huibregtsen-toestanden krijg”. Dat is de nieuwe manier van zeggen dat je niet met je naam in de krant wilt. En inderdaad, de advocaten zeggen het ook: al kost het een hoop geld en is het slecht voor de reputatie, we-proberenhet-en-we-kijken-hoever-we komen is de weg om erachter te komen wat Brussel, dat wil zeggen Europees commissaris Van Miert, wel en niet aanvaardbaar vindt.

Zeker in het geval van uitgeverijen van informatie voor professionele gebruikers. Want waar kijkt Van Miert naar? Wat de marktpositie wordt van de nieuwe combinatie. En dat is heel lastig als niemand weet hoe de markt moet worden gedefinieerd of hoe groot het aandeel erop is van de betrokken partijen. Marktaandelen zijn bij de wetenschappelijke uitgevers niet interessant. Het gaat om dat ene medische tijdschrift voor díe specifieke doelgroep.

Pagina 18: Wachten op klachten

Om dat losbladige systeem voor in dàt onderwerp gespecialiseerde fysici. Over marktaandelen zijn dus, anders dan bijvoorbeeld in de detailhandel, geen objectieve bronnen voorhanden. Als twee partijen willen fuseren, kunnen ze weinig anders doen dan hun voornemens bekend maken en dan maar afwachten welke klanten en concurrenten beginnen te klagen. En klagen déden de klanten en concurrenten: dat medische tijdschrift en dat losbladige systeem zouden, in één hand, veel te duur worden.

Vervolgens gebeurde er nog wat anders en daarover wil Jean Paul van Marissing, advocaat bij Caron & Stevens Baker & McKenzie wel openlijk praten - hij is geen betrokkene. Hij adviseert vooral Nederlandse ondernemingen die hun voorgenomen samenwerking bij de Nederlandse Mededingings Autoriteit (sinds 1 januari) goedgekeurd moeten zien te krijgen. Hoe naïef het ook klinkt, zegt hij, zo'n aankondiging van een fusie is toch niet veel meer dan een verloving. “Bij de eerste tegenslag moet blijken hoe groot het incasseringsvermogen van de nieuwe combinatie is.” En dat was bij Reed Elsevier en Wolters Kluwer niet erg groot. Dat zeggen de andere advocaten ook: ze wilden niet echt.

Van Miert zelf moet die indruk ook hebben gekregen. Gisteren in het televisieprogramma Nova verbaasde hij zich over de verklaringen die de twee uitgevers gaven voor het afbreken van de fusie: “Wat mij verwondert is dat ze de zaak al hebben opgeblazen voordat we een kans hebben gehad te praten over een mogelijke remedie.” Van Miert erkent dat er grote bezwaren bestonden tegen de fusie, maar hij “had sterk de indruk dat de partijen onder elkaar enige meningsverschillen hadden. Over de vraag wie inspanningen moest leveren om oplossingen te vinden.”