Dr. Supachai Panitchpakdi, vice-premier van Thailand; We hebben dingen fout gedaan

In het Westen wordt Aziatische politici wel eens een 'cultuur van ontkenning' verweten, maar dat kan geen betrekking hebbben op Supachai, de vice-premier van Thailand. De oorzaken van de crisis zoekt hij vooral in het slecht functioneren van de Thaise politiek. Maar, vindt hij ook, het Westen moet niet zeuren: ten slotte was iedereen tot voor kort zeer onkritisch over 'het Grote Wonder' van Azië.

De straten van Bangkok bewijzen dezer dagen dat de crisis in Azië zo zijn voordelen heeft: de notoire files die het verkeer in de Thaise hoofdstad jarenlang volledig lamlegden, zijn op veel plaatsen vrijwel verdwenen. De stroom van busjes, auto's, tuk-tuks en brommers beweegt aanmerkelijk sneller nu veel Thais gedwongen door de economische neergang hun eigen vervoermiddel thuis laten staan of verkocht hebben.

Desondanks puilt de parkeerplaats voor het ministerie van Handel aan Sanamchai Road uit. Glimmende Mercedessen, Volvo's en BMW's met getinte glazen staan strak naast elkaar geparkeerd voor de ingang van het monumentale pand, op steenworp afstand van Bangkoks befaamde Grand Palace. Het overvolle wagenpark staat symbool voor de grote hoeveelheid bezoekers aan het ministerie dat geldt als het zenuwcentrum van de drie maanden oude Thaise regering van premier Chuan Leekpai. Hier werken the best and the brightest van de Thaise politiek, hier worden de plannen gesmeed om de crisis in het land te bezweren, hier huist dr. Supachai Panitchpakdi, plaatsvervangend premier, minister van Handel en verantwoordelijk voor het economische beleid dat Thailand weer op de been moet helpen.

“We hebben hier allemaal het gevoel dat dit een tijd is van opoffering”, vertelt de 51-jarige Supachai in zijn ruime, koele kamer op de tweede etage van het ministerie. “We nemen pijnlijke maatregelen. We vertellen de mensen dat ze minder geld moeten uitgeven en meer moeten sparen. We laten de prijzen stijgen en de subsidies dalen. We doen het allemaal voor de toekomst van Thailand, maar voor niemand in het kabinet is dit een goed moment om aan populariteit te winnen”, zegt hij met een glimlach.

Commentatoren noemen hem “Thailands minst gepolitiseerde politicus” en loven hem om zijn accurate economische prognoses, zijn internationale contacten en zijn welbespraaktheid, die hij niet alleen in zijn moedertaal maar ook in vloeiend Engels tentoonspreidt. En toen minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken de Thaise minister vorige maand in Bangkok bezocht, bleek Supachai zich ook in het Nederlands heel aardig te kunnen redden. Het is een blijvend souvenir aan zijn studietijd aan de Erasmus-universiteit in Rotterdam waar Supachai in de jaren zeventig promoveerde bij de Nederlandse professor Jan Tinbergen.

De lessen en theorieën van de Nederlandse leermeester komen nog dagelijks van pas in zijn werk, vertelt Supachai. “Ik hecht grote waarde aan de interpretatie van statistieken. We leven in een rommelige, verwarrende wereld. Als je beslissingen moet nemen, moet je je keuze kunnen baseren op statistieken, cijfers en analyses. Ik doe dat op de manier waarop professor Tinbergen me dat ooit heeft geleerd.”

Lange tijd leek Supachai Panitchpakdi voorbestemd zijn loopbaan in de bankwereld te slijten. De centrale bank van Thailand had zijn Rotterdamse economiestudie betaald en volgens afspraak zou hij die beurs terugverdienen door voor de bank te werken. Dat deed hij ook, twaalf jaar lang. Maar in 1986 groeide het verlangen meer te doen dan alleen zijn werk als directeur binnen de bank en besloot Supachai de overstap naar de politiek te wagen. Thailand worstelde op dat moment met de naweeën van een economische crisis die midden jaren tachtig was ontstaan. Net als vorige zomer was een substantiële devaluatie van de Thaise baht destijds de oorzaak van deze crisis, die in omvang echter onvergelijkbaar veel kleiner was dan de huidige malaise waarin Thailand zich bevindt.

Supachai maakte twaalf jaar geleden zijn entree in de Thaise politiek als plaatsvervangend minister van Financiën in het kabinet van de toenmalige premier Prem Tinsulanonda. Maar hij keerde al na twee jaar, toen de regering van Prem ten val werd gebracht, terug naar de bankwereld, in de vaste overtuiging dat zijn politieke leven voorbij was. Zijn vriend Chuan Leekpai wist hem een paar jaar later te overtuigen het toch nog een keer te proberen. In 1992 benoemde Chuan, die toen aan zijn eerste premierschap begon, Supachai als zijn plaatsvervanger, verantwoordelijk voor het economische beleid. Het beviel Supachai goed en sindsdien bleef hij in de politiek. Van 1995 tot eind vorig jaar als oppositiepoliticus en sinds drie maanden wederom als plaatsvervanger en economisch adviseur van premier Chuan Leekpai.

Samen met de Thaise premier reist Supachai deze week naar de Verenigde Staten waar zij morgen een ontmoeting hebben met de Amerikaanse president, Bill Clinton. De trip komt op een moment dat de regeringsploeg van Chuan alom lof oogst. Een recente opiniepeiling onder de Thaise bevolking toont aan dat bijna driekwart van de Thais tevreden is met de wijze waarop de nieuwe regering de economische crisis te lijf gaat. Ook het Internationaal Monetair Fonds (IMF), dat Thailand vorig jaar te hulp schoot met een reddingspakket ter waarde van 17,2 miljard dollar, is goed te spreken over de economische hervormingen in het land. Het fonds gaf vorige week de derde tranche van het toegezegde krediet vrij en paste een aantal voorwaarden aan die aan de financiële hulp zijn gekoppeld. Zo mag Thailand de kredietverstrekking en het rentebeleid versoepelen.

“Ik heb altijd gezegd dat de condities waaronder het IMF hulp verzorgt, flexibel en verstelbaar moeten zijn zodat kan worden ingespeeld op de veranderende omstandigheden”, zegt Supachai. “De Thaise economie vertoont nu tekenen van herstel, maar onze munt is er slechter aan toe dan in augustus, toen het reddingspakket tot stand kwam. De IMF-mensen hebben dat allemaal meegenomen in hun overweging. Er is veel over vergaderd en het is voor beide partijen een uiterst leerzaam en nuttig proces geweest.”

Kort nadat het IMF vorige jaar na Thailand ook Indonesië en Zuid-Korea had voorzien van miljarden dollars aan financiële reddingspakketten, brandde de kritiek los dat het fonds te strenge bezuinigingsmaatregelen als voorwaarden zou hebben verbonden aan de hulp. “Het IMF kwam hier binnen om het bloeden te stoppen en te zorgen voor een kritische operatie. Of we het nu leuk vonden of niet, het was onvermijdelijk. Er was voor ons helemaal geen afweging mogelijk of we de hulp wel of niet wilden accepteren. Maar we willen wel graag onze eigen input nu het hulpprogramma loopt”, zegt Supachai.

De aanbeveling die de Thaise minister het IMF wil geven is zo waakzaam mogelijk te zijn bij het volgen van de uitvoering van de hulpprogramma's en de daaraan verbonden voorwaarden. “Men moet voorkomen dat te strenge voorwaarden een inflatoir effect hebben waardoor de economie van een teruggang doorschiet naar een recessie of een depressie. Daar moet het IMF zeer attent op blijven. Daarom moet er altijd coördinatie zijn met de Wereldbank en moeten de afspraken geïntegreerd worden met de Wereldhandelsorganisatie (WTO) zodat er op wordt toegezien dat de markten open blijven. Het gaat dus niet alleen om de financiële hulp en de bezuinigingsmaatregelen, maar ook om het creëren van mogelijkheden voor investeringen via de Wereldbank en voor de export van producten vanuit het land dat geholpen wordt.”

Velen zien export als het zaligmakende reddingsmiddel voor de Aziatische landen die lijden onder de crisis. Hun munteenheden, die de afgelopen maanden diep in waarde daalden, maken de producten uit landen als Thailand, Maleisië en Indonesië aantrekkelijk goedkoop voor Amerika en Europa. Maar Supachai ziet de beperkingen van de exportmogelijkheden. “Iedereen richt zich op export als dè manier om uit het dal te klauteren. Als dat zo is, dan wordt de wereld straks overspoeld met exportproducten. Dat is ook geen oplossing. Het gaat erom naast de export ook te werken aan de revalidatie van de eigen economie. In Thailand zijn we nu bijvoorbeeld bezig met liberalisering van de investeringspolitiek, die nu nog veel te veel belemmeringen kent voor buitenlandse investeerders. Want de enige manier om Thailand weer te integreren in de wereldeconomie is door meer investeringen aan te trekken.”

Naast de breed gedeelde mening dat Thailand op de goede weg terug is, maakte IMF-topman Michel Camdessus vorige maand ook een paar kritische opmerkingen over het land. Volgens Camdessus is er nog steeds sprake van een gebrek aan doorzichtigheid in het Thaise politieke en economische systeem. Bovendien zou de vorige Thaise regering onvoldoende geluisterd hebben naar waarschuwingen van het IMF over de zorgwekkende staat van de Thaise economie, al maanden voordat de baht onder druk gedevalueerd moest worden.

“Die waarschuwing van het IMF was een hele milde”, pareert Supachai. “Het was geen noodkreet of een kritische waarschuwing. Het waarschuwingssysteem van het IMF is een zwak onderdeel. Ik zou graag zien dat men dat verandert. Het IMF moet veel nadrukkelijker worden in zijn waarschuwingen en een duidelijk onderscheid maken tussen een milde, een sterke en een kritische waarschuwing.”

Volgens Supachai kreeg de vorige Thaise regering van premier Chavalit, die amper een jaar regeerde van eind 1996 tot eind vorig jaar, een paar maanden voor het uitbreken van de crisis een waarschuwing van het IMF die het al jaren krijgt: over het tekort op de lopende rekening. “Maar dat tekort was er altijd al. En zo lang we konden exporteren, werd dat tekort gefinancierd. Bovendien, de buitenlandse investeerders waren nog massaal aanwezig, dus was er geen reden tot paniek, het vertrouwen in Thailand was nog niet verdwenen, er was eigenlijk niets mis.”

Toch steekt Supachai namens Thailand ook de hand in eigen boezem: de economische en financiële crisis die begin juli vorig jaar losbrak in zijn land en vervolgens als een epidemie over de rest van het Aziatische continent trok, is volgens de Thaise econoom voor een groot deel te wijten aan eigen fouten. “De frequente wisseling van regeringen in Thailand heeft een ongunstig effect gehad op de economie hier. Toen het eerste kabinet van Chuan Leekpai aantrad in 1992, ging het erg slecht met Thailand. De koning had kort daarvoor via een persoonlijke interventie op het nippertje een einde gemaakt aan een militaire coup. Vanaf dat moment zijn we de economie weer gaan opbouwen.

“Toen we in 1995 werden opgevolgd door de regering van premier Banharn Silpa-archa waren de eerste tekenen zichtbaar van een oververhitte economie. Als we toen langer hadden kunnen aanblijven, was het makkelijk geweest de rem op de economische groei te zetten. We waren daar al mee begonnen door de rente te verhogen en obligatieleningen uit te geven om de liquiditeit van de staat te vergroten. Maar de nieuwe regeringsploeg deed wat elke nieuwe regering doet: zij gaf meer geld uit. Dus in plaats van terug te gaan naar een lagere versnelling, ging er meer benzine in de motor om sneller te groeien.”

Supachai ziet de vele wisselingen van regeringen in Thailand - de huidige ploeg van Chuan Leekpai is de vierde regering binnen drie jaar - als een structureel zwak punt van de Thaise democratie. “We slagen er op deze manier niet in politieke stabiliteit te creëren. Veel van onze problemen zijn daar op terug te voeren. Het zorgt voor mismanagement van onze economie en een gebrek aan een vaste lijn in onze economische politiek.”

Hij vreest dat die zwakte zich ook wreekt op andere vlakken. “Sommige bureaucraten wilden de machtige politici die door het democratiseringsproces in dit land zijn ontstaan, behagen door een te rooskleurig beeld voor te spiegelen van onze economie. Daarom zag de situatie er in de maanden voor de crisis in veel rapporten en analyses die de overheid op basis van de cijfers van die bureaucraten opstelde, niet zo slecht uit”, legt hij uit. “Daar komt bij dat is gebleken dat veel Thaise ministeries onderling met onvergelijkbare cijfers en statistieken werken. Daardoor ontstond vaak een misleidend beeld over de werkelijke situatie van de Thaise economie. Er is op dat vlak een grote reorganisatie nodig en daarnaast zal de moed en de integriteit van onze bureaucraten een stuk omhoog moeten om te voorkomen dat we veel te laat achter de ware stand van zaken komen.”

In tegenstelling tot veel van zijn Aziatische collega's schuift Supachai de oorzaken van de economische malaise niet af op derden. Maar tegelijkertijd ergert hij zich aan de geluiden uit het Westen waar Aziatische politici een 'cultuur van ontkenning' wordt verweten. “We geven eerlijk toe dat we dingen fout hebben gedaan. In Thailand wordt dat door niemand echt ontkend. Hier wijten we het aan het gebrek aan continuïteit in de politieke leiding en vervolgens een totaal verlies van vertrouwen van investeerders in onze markt”, zegt de Thai. “Maar laten we niet vergeten dat iedereen, inclusief het Westen, Zuidoost-Azië tot voor kort bewierookte als het 'Grote Wonder'. Dat gegeven kan door niemand ontkend worden. Het Westen was hier toen we groeiden. De Westerse investeerders leenden ons massaal hun geld.

“Terugblikkend zeggen analisten en professoren nu: de productiviteit in Azië is niet meegegroeid. Maar dat is geen verklaring voor de crisis. Net zo min als corruptie dat is. Natuurlijk is er corruptie in Thailand, en die zal er altijd zijn. Maar we kennen hier niet het crony-systeem zoals dat elders in de regio te zien is. Thailand moet vanuit een andere hoek worden geanalyseerd door het vrije marktsysteem dat we hier hebben. De markt moet zich nu weer aanpassen. De fout hier is geweest dat de regering dat te laat heeft onderkend.”

De Thaise plaatsvervangend premier is een sterk voorstander van een regionaal waarschuwingssysteem zodat landen elkaar kunnen alarmeren over dreigende achteruitgang. “We zijn bezig zo'n systeem op te zetten. Ook het IMF weet dat zijn eigen waarschuwingssysteem niet goed werkt. En in Washington realiseert men zich dat een waarschuwing van een buurland vaak effectiever is dan een goedbedoeld advies van een internationale organisatie.”

De lidstaten van ASEAN (de Associatie van Zuidoost-Aziatische landen) spraken eind vorig jaar in de Filippijnse hoofdstad Manila af een surveillancesysteem op te zetten. Onder leiding van de Aziatische Ontwikkelingsbank (ADB) zullen een aantal malen per jaar Aziatische ministers van Economische Zaken en Financiën overleg voeren over de situatie in hun respectievelijke landen. Het plan wordt door analisten met enige argwaan bekeken als de zoveelste poging van ASEAN om gezamenlijk de crisis te bezweren. De landengroep, die noninterventie in elkaars aangelegenheden als een van haar principes kent, worstelt sinds het uitbreken van de economische depressie met haar rol in de regio. De gespannen situatie in Indonesië rond de herverkiezing van president Soeharto heeft de associatie tijdelijk nagenoeg lamgelegd. “Indonesië is de grootste economie binnen ASEAN en zijn gezondheid heeft invloed op alle andere lidstaten”, meent Supachai, die zich verder niet wil uitlaten over de toestand in Indonesië.

Hij weerlegt een deel van de kritiek op ASEAN door te wijzen op recente initiatieven die in zijn ogen wèl effect zullen hebben. “Ondanks de crisis hebben we allemaal toegezegd door te gaan met onze plannen voor vrijhandel binnen de regio. We willen de afhankelijkheid van de Amerikaanse dollar verkleinen door de eigen valuta en de eigen banknetwerken voor de onderlinge handel te gebruiken. En ook is toegezegd dat de ASEAN-landen voor investeerders in de toekomst als één land zullen gelden. We willen een grenzenloos gebied creëren zonder bottlenecks voor de stroom van investeringen, services, mensen, noem maar op. Dat zijn stevige commitments, zeker in deze tijd dat alle landen in de regio het zwaar hebben. Dit is het moment om de wereld te bewijzen dat we solidair zijn en wel degelijk samen kunnen werken.”