De Nuis-norm

KUNSTZINNIGE ongehoorzaamheid beheerst de burgerlijke muziekbeoefening in de Nederlandse concertzalen. Sinds 1 januari vorig jaar bestaat voor de Nederlandse symfonieorkesten de plicht om ten minste zeven procent van de tijd op het podium Nederlandse muziek te spelen. Ruim een jaar later heeft die maatregel van staatssecretaris Nuis (Cultuur) nog geen enkel resultaat gehad. In de concertzalen klinkt niet meer Nederlandse muziek dan voorheen, daarbuiten hoort men telkens weer het gemor tegen een bedillerige overheid.

Bij de aankondiging van de programmering van het muziekseizoen, dat in september begint, hebben de afgelopen weken chef-dirigenten, artistiek leiders en zakelijk directeuren van een aantal grote symfonieorkesten opnieuw hun principiële en praktische afkeer van de zevenprocentsnorm naar voren gebracht. Die maatregel herinnerde chef-dirigent Hartmut Haenchen van het Nederlands Philharmonisch Orkest zelfs aan de rigide communistische cultuurpolitiek van de DDR in de tijd dat hij daar nog werkte.

Het Koninklijk Concertgebouworkest heeft alsnog een rechtszaak tegen de staatssecretaris aangespannen. De opgelegde verplichting ten faveure van Nederlandse componisten zou niet alleen in strijd zijn met Europese richtlijnen tegen discriminatie van componisten uit andere landen, maar ook zelfs met de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van meningsuiting. Voor het overige is het Concertgebouworkest bereid - zij het onder protest - door de overheid opgelegde boetes in de vorm van verminderde subsidies voor lief te nemen. Alles beter dan te buigen voor Nuis of te spelen voor halflege zalen.

DE NU WEER opgelaaide discussie over de Nederlandse muziek draait almaar in kringetjes rond. De twee partijen graven zich steeds dieper in en een oplossing voor het conflict lijkt ver weg. Al ruim voordat de Tweede Kamer de zevenprocentsnorm van Nuis steunde, was er protest van bijna de hele Nederlandse muziekwereld. Alleen een deel van de componisten en het documentatiecentrum voor Nederlandse muziek Donemus waren er voor. De orkesten en ensembles, ook degene die de 'Nuis-norm' ruimschoots haalden, wensten hun artistiek beleid niet door de overheid te laten klokken met chronometers.

De orkesten hebben Nuis later een 'plan' gestuurd met een opsomming van wat zij toch al aan Nederlandse muziek zouden gaan spelen. De staatssecretaris vindt het niet genoeg omdat er geen enkele garantie is dat het door hem gestelde minimum van zeven procent door alle orkesten zal worden gehaald. De Nuis-norm blijft van kracht, zegt hij, ook als Nuis binnen afzienbare tijd wellicht niet langer staatssecretaris van Cultuur is.

De Nuis-norm is een nieuw fenomeen in het Nederlandse kunstbeleid, dat tot nu toe geen quoteringen kende, en uitsluitend gericht was op kwalitatieve criteria. De Raad voor Cultuur, die daarover niet eerder om advies was gevraagd, keerde zich nog onlangs tegen het rigide en algemene karakter daarvan. Verschillende orkesten hebben verschillende taken en bij de vierjaarlijkse vaststelling van beleidsplannen en bijbehorende subsidies zouden individuele normen moeten worden vastgesteld.

NUIS' INTRODUCTIE van een puur kwantitatieve norm op cultureel gebied is inderdaad geen fraaie maatregel. De overheid behoort zich verre te houden van gedetailleerde inhoudelijke voorschriften aan de wereld van de kunst. Wanneer zo'n quotering eenmaal bestaat, lokt die al snel discussie uit over verfijningen daarvan en toepassingen in andere takken van kunst en cultuur. De Nederlandse symfonieorkesten hebben die opgelegde norm echter wel uitgelokt, door hun eerdere toezeggingen om meer Nederlandse muziek te spelen niet gestand te doen. Daarbij moet 'Nederlands' vooral worden gelezen als 'eigentijds'. Want ook muziek van eigentijdse buitenlandse componisten komt te weinig aan bod in de concertprogramma's van de Nederlandse symfonieorkesten.

De orkesten functioneren meer en meer als een vermaaksindustrie, die biedt wat het publiek wil, omdat de zaal nu eenmaal vol moet zitten. De orkesten verwijten de overheid te veel eigen inkomsten te eisen. Maar hun op papier beleden roerende zorg over de Nederlandse muziek, die met meer subsidie beter zou worden bevorderd, klinkt al te zuinig. Wanneer de orkesten vrezen voor te weinig publieke belangstelling voor Nederlandse en eigentijdse muziek, is het juist hun artistieke plicht om die te presenteren op een interessante en spannende manier. Bij wereldpremières van stukken van Alfred Schnittke, Guus Janssen, Peter Schat en Louis Andriessen trok de Nederlandse Opera de afgelopen jaren toch ook volle zalen?

DE NEDERLANDSE orkesten zouden een veel principiëler, daadkrachtiger, enthousiaster en geloofwaardiger geluid moeten laten horen over het belang van eigentijdse muziek, juist ook van Nederlandse componisten. Zij moeten daar zelf in geloven, want het is een deel van hun toekomstig fundament. De orkesten hebben een exclusieve positie om als opdrachtgevers aan componisten en als uitvoerders van hun muziek verder te werken aan voortzetting en uitbouw van de muziekhistorie. Dáár ligt de uitdagendste taak voor de orkesten, naast het op een levendige en artistiek hoogstaande wijze instandhouden van het glorievolle muziekmuseum. Juist muziekliefhebbers beschouwen muziek vaak als 'de hoogste der kunsten'. Dan behoren de orkesten èn hun publiek toch bij uitstek te zijn geïnteresseerd in de ontwikkeling van die muziekkunst.