Balanceren op de hersenstam

Eind vorig jaar kwamen Teun van Aken en Theo Camps van het adviesbureau Rijnconsult in het nieuws met hun bevinding dat 40 procent van de beschikbare Nederlandse denkkracht onbenut blijft (Organiseren van denkwerk, 1997, Van Gorcum). Goed nieuws voor minister Wijers die van benchmarking, het vergelijken met de prestaties van de besten, houdt.

Want uit vergelijkbaar onderzoek in de Verenigde Staten kwam naar voren dat daar zelfs 50 procent van de denkkracht onbenut blijft. Maar helemaal goed nieuws voor de mensheid. Want maar 40 procent van de denkkracht onbenut laten, dat is natuurlijk onwijs gaaf.

Steeds beter begrijpen we hoe onze hersenen functioneren. In een bijlage van NRC Handelsblad van 10 oktober 1996 over dit onderwerp lees ik dat die grijze massa uit ongeveer 100 miljard zenuwcellen bestaat die elk op circa 1.000 plaatsen in verbinding staan met andere cellen. Onze cognitieve en emotionele (re)acties hebben weliswaar plaats binnen een beperkt deel daarvan - de hersenschors, de ongeveer 2 mm dikke buitenste schil van onze grote hersenen. Maar zelfs in de ongeveer 10 miljard actieve cellen daar is meer dan plaats genoeg voor het eindeloze gevecht om de macht tussen talloze ideeën en interpretaties van onze ervaringen.

Als we in Nederland in staat zouden zijn 60 procent van al die denkkracht te benutten, zou dat niet minder dan een fenomenaal succes zijn, waarbij Nagano in het niets zou verzinken. Maar - opvallend! - ook Van Aken en Camps weten dat dit niet kan. Op basis van andere cijfers (1 biljoen hersencellen!) stellen zij op één plek dat we waarschijnlijk slechts 1 procent van onze hersencapaciteit kunnen benutten. Maar dat heeft geen weerslag op wat ze verder overeind houden. Inderdaad, het kan nog altijd beter met onze denkkracht.

Het is dus geen neurofysiologisch onderzoek op basis waarvan de Rijnconsultants hun conclusies trekken. Er is gewoon aan 600 mensen op drie niveaus (top, lijn, uitvoerend) in drie grote sectoren (industrie, zakelijke diensten, overheid/non-profit) gevraagd te scoren op verschillende uitspraken over hoe gedacht wordt binnen hun organisaties. Feitelijk is onderzocht hoe daar beslissingen (al dan niet) voorbereid, genomen en gecommuniceerd worden. Het gaat dus over de kwaliteit van het management. Interessant is dat daar voor één keer geen model over best-practice management aan ten grondslag ligt, maar één over het balanceren van denkstijlen. Van Aken en Camps bouwen daarbij voort op het werk van de Amerikanen Spitzer en Evans (Heads You Win. How the Best Companies Think, 1997, Simon & Schuster) en Herrmann (The Whole Brain Business Book, 1996, McGraw-Hill).

Al langer komen we in managementboeken pleidooien tegen om onze linkerhersenhelft, de meer taalvaardige en logische kant, beter in balans te brengen met onze rechterhersenhelft waar het impliciete en intuïtieve zijn plaats heeft. Ned Herrmann zet op die links-rechts-as nog een verticale: ook de bovenkant van ons brein (de hersenschors waar al het bewuste interpreteren, denken en leren plaatsheeft) moet gebalanceerd worden met de onderkant, het limbisch systeem, de zetel van onze emoties en ons kortetermijngeheugen. De combinatie van de assen levert vier kwadranten op met vier denkstijlen: linksboven: logisch-analytisch; linksonder: georganiseerd-planmatig; rechtsboven: holistisch-integrerend, innovatief, intuïtief; rechtsonder: gevoelsmatig, sociaal.

De steeds meer noodzakelijke kennisdynamiek gaat dan niet enkel over kennismanagement (linksonder), maar ook over creatieve nieuwe kennisontwikkeling (rechtsboven), stug kennis doorontwikkelen (kennisresearch, linksboven) en 'kennis netwerken' (rechtsonder). Dit alles is nu verwerkt in hun enquête. Daaruit komt bijvoorbeeld naar voren dat in het bedrijfsleven de linkerhersenhelft relatief overontwikkeld is en bij de overheid/non-profit de rechterhelft. Dat laatste kan te maken hebben met het feit dat daar ook alle zorgsectoren onder vallen. De sectorindeling is hier wellicht te grofmazig om zeker te zijn over hun aanbeveling dat de hele overheid/non-profit wat zakelijker en planmatiger moet worden. Ikzelf zou eerder denken dat ze daar die hersenhelften beter moeten balanceren, zodat ze niet telkens van het ene uiterste in het andere doorslaan. (De genoemde bijlage bevatte overigens brain-gymoefeningen waarmee het mogelijk zou zijn de verbindingen tussen de 'hersenkwadranten' te verstevigen; maar daarover bij Van Aken en Camps niets.)

Dat de creatieve, experimenterende en gevoelsmatige kant in het bedrijfsleven sterker kan, daar lijken de Rijnconsultants me geen buil aan te vallen. Bijna op elke pagina van hun boek hameren ze dan ook op de noodzaak van bezielend leiderschap. Maar ook hier had het speeltje verder uitgemolken kunnen worden door het balanceren van de kwadranten op alle niveaus meer te onderstrepen. Ook binnen de implementatie en planning (linksbeneden) moet de creatieve denkkracht (rechtsboven), het relationeel-zorgzame (rechtsonder) en het slim doordenken van ideeën (linksboven) voortdurend gemobiliseerd worden. Goed is in elk geval dat Van Aken en Camps onderstrepen dat denkkracht niet alleen gaat over het creatieve, het analytische of het organiseren van kennismanagement. Ook de Vlaamse emeritus-hoogleraar en creativiteitsgoeroe Roger de Bruyn onderstreept dat we met 2 procent organiseren van inspiratie moeten toekomen. De rest is - best slim georganiseerde - transpiratie.