'Wij Duitsers zijn niet trots'

Het Von der Heydt-Museum in Wuppertal eist elf schilderijen en een tekening van Renoir terug van het Louvre. Franse bezettingstroepen namen de kunstwerken aan het einde van de Tweede Wereldoorlog mee naar Parijs, ontdekte directeur Sabine Fehlemann onlangs.

WUPPERTAL, 10 MAART. Van de duizenden schilderijen die tijdens de Tweede Wereldoorlog van eigenaar veranderden, werden er de afgelopen maanden genoeg opgeëist om juristen tot ver in de volgende eeuw aan het werk te houden. De meeste claims zijn afkomstig van erfgenamen van joodse verzamelaars - zoals de Amsterdamse kunsthandelaar Goudstikker - wier collecties door de nazi's werden geconfisqueerd. Opmerkelijk was daarom de claim die onlangs vanuit Duitsland wereldkundig gemaakt werd.

Een Duits museum dat kunstwerken terug wil hebben uit Frankrijk, uit het Louvre nog wel? Dat is inderdaad het geval, zegt Sabine Fehlemann, directeur van het Von der Heydt-Museum in Wuppertal. Volgens haar horen ten minste twaalf werken, van onder anderen Renoir (De badende), Delacroix (De Arabische hoefsmid) en Ingres (Hoofd van Jupiter), niet in Parijs maar in Wuppertal. Ze zegt daarvoor over bewijzen te beschikken. En dat behalve het Von der Heydt nog zes andere musea in Duitsland en Oostenrijk aanspraak zouden kunnen maken op schilderijen in Franse musea. “Maar de meeste willen liever hun vriendschap met de Fransen bewaren dan een Delacroix terugkrijgen”, zegt ze.

De ingang van het Von der Heydt-Museum ligt wat verscholen tussen de etalages van de detailhandelaren - een schoenenwinkel, een tassenwinkel, een elektronica-zaak - die zich op de begane grond in het gebouw bevinden. Maar achter die betrekkelijk onopvallende entree blijkt een kleine schat aan 19de- en 20ste-eeuwse schilderkunst schuil te gaan: vijf Picasso's, vier Van Goghs en werken van Monet, Degas, Matisse en Cézanne, kortom een collectie waar geen museumdirecteur zich voor zou schamen. De bezoekcijfers geven daar ook al geen aanleiding toe; met 285.000 bezoekers per jaar trekt het Von der Heydt-Museum meer publiek dan bijvoorbeeld Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam vorig jaar deed (194.000).

Tijdens de oorlog was het Von der Heydt-Museum gewoon geopend. Tot 1944. Toen werd uit vrees voor bombardementen besloten alle kunstwerken over te brengen naar een depot bij Koblenz. Alleen een buste van Adolf Hitler bleef achter in Wuppertal, vertelt Fehlemann. Tegen het einde van de oorlog viel er inderdaad een bom op het gebouw, waardoor het Hitler-beeld van zijn sokkel viel en zijn neus verloor.

Tientallen schilderijen keerden niet terug uit het depot bij Koblenz. Waar ze gebleven waren, was het Duitse museum tot voor kort onbekend. De wijze waarop de directeur ontdekte dat ten minste een deel daarvan zich in het Louvre bevindt, klinkt licht ongelooflijk. Op 2 april vorig jaar ontving Fehlemann een fax van een medewerker van het Louvre. Die was niet voor haar bestemd, maar voor een andere medewerker van het Parijse museum. Op één blad stond informatie over een tekening van Renoir, onder meer dat deze afkomstig was uit Wuppertal. Op een tweede blad stonden de namen van andere musea in Duitsland en Oostenrijk, met daarbij inventarisnummers van schilderijen. Het gaat om kunstwerken die na afloop van de oorlog door Franse bezettingstroepen zijn meegenomen uit Koblenz.

Fehlemann laat de fax van het Louvre zien, in haar kantoor bovenin het museum. Hoe kwam die daar terecht? Ze houdt het op een vergissing van een secretaresse. Onder de informatie over de Renoir zijn met de hand Fehlemanns naam en adres geschreven. “Voor het geval ze ooit contact zouden willen opnemen met mij”, zegt ze. “Iemand heeft daaruit geconcludeerd dat de fax naar mij moest.”

Op de fax stond nog een boodschap, van de ene Louvre-medewerker aan de andere: “Hierbij de lijst van werken uit Duitse musea. Vanmiddag stuur ik nog een lijst. Aarzel niet om mij te bellen.” Dat deed Fehlemann: “Ik dacht dat het heel eenvoudig was, dat ik alleen maar hoefde te zeggen: hier ben ik.” Het Louvre bevestigde dat zich in Parijs nog elf schilderijen bevinden die uit Wuppertal afkomstig zijn. Maar het museum ziet geen reden die terug te geven.

Fehleman: “Eerst zeiden ze dat de schilderijen door de nazi's van Franse joden gestolen zijn. Maar ik kan bewijzen dat dat niet waar is.” Het Duitse museum heeft de aankoopbewijzen van de schilderijen bewaard. Fehlemann toont kopieën ervan. De twaalf werken die zij claimt, werden in de periode 1940-1944 bij verschillende Parijse kunsthandelaren gekocht door de toenmalige directeur van het museum, Victor Dirksen. “Een fervente anti-nazi”, volgens Fehlemann. “Göring heeft Dirksen nog eens gevraagd ook voor hem kunst in te kopen, en toen heeft hij gezegd: 'dat doe ik niet, al kom ik in de gevangenis'. Daarom ben ik er zeker van dat hij indertijd goed heeft onderzocht wat hij heeft gekocht.”

De prijs die Dirksen in Frankrijk voor de schilderijen betaalde, noemt Fehlemann 'reëel'. De Arabische hoefsmid van Delacroix bijvoorbeeld kostte in 1941 32.500 Duitse mark. Ze heeft het nagezocht: “Dat was toen vijftien keer een gemiddeld jaarinkomen.” De huidige waarde van de twaalf werken schat Fehleman op ongeveer 30 miljoen gulden.

Mocht het tot een rechtzaak komen, dan zal een wet van de geallieerden uit 1943 daarin waarschijnlijk een belangrijke rol spelen. De Fransen hebben Fehleman een kopie gestuurd van deze wet, door De Gaulle ondertekend, die transacties met de bezetters ongeldig verklaart “zelfs als die schijnbaar rechtmatig zijn”. Maar de aankopen van directeur Dirksen zijn niet schijnbaar rechtmatig, redeneert Fehlemann, ze zijn echt rechtmatig. “Dus dan geldt die wet niet.” In ieder geval, zegt ze, zijn vijf van de twaalf werken gekocht vóór maart 1941, toen de wet in werking trad.

Maar volgens Robert Fohr, woordvoerder van de Directie van Franse Musea, waaronder ook het Louvre ressorteert, is er geen enkele discussie mogelijk over het eigendom van de kunstwerken. “Ze vallen allemaal onder de wet die de geallieerden in 1943 hebben uitgevaardigd. We hebben alles in archieven onderzocht.” In Franse musea hangen nog ruim 2.000 kunstwerken die na de oorlog gerecupereerd zijn. Sinds vorig voorjaar zijn daarvan op Internet afbeeldingen te bekijken, om mensen die een claim willen indienen te helpen.

Sabine Fehlemann heeft contact gezocht met de andere Duitse musea die door de oorlog schilderijen verloren. De reacties waren verdeeld. De directeur van de Bayerischen Staatsgemäldesammlungen, die een Dégas missen, heeft verklaard dat hij die graag terug wil. Maar de andere musea willen de zaak laten rusten. En het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar het Von der Heydt-Museum onder valt, heeft Fehlemann gezegd dat ze moet proberen zelf met het Louvre zaken te doen.

“Wij Duitsers zijn niet trots”, geeft ze daarvoor als verklaring. Fehlemann laat advocaten op dit moment onderzoeken hoe de kansen liggen in een eventuele rechtszaak. Ze voelt zich gesterkt door de hoogleraar volkenrecht Wilfried Fiedler, die in een recent artikel in het tijdschrift Art zegt dat de Duitsers, juridisch gezien, recht van spreken hebben. “Het liefst wil ik de schilderijen terug”, zegt ze, “maar een compromis is, denk ik, reëler. Het Louvre zou ons de schilderijen in bruikleen kunnen geven. Dan hangen we ze hier in een speciale zaal 'Werken uit het Louvre'. Voor ons zou dat geweldig zijn. En het Louvre heeft die paar schilderijen van ons toch niet nodig?”