THE ECONOMIST

Oost-Azië is al heel lang de wetenschappelijke twistappel tussen de voorstanders van de vrije markt en die van geleide economie. Beide kampen hebben verschillende tekortkomingen van het Aziatische wonder gebagatelliseerd en sprookjes voor zoete koek geslikt, al naar gelang ze wel of niet pasten in de favoriete economische theorie. Het weekblad The Economist bespreekt de belangrijkste in een special die is gewijd aan de toestand van de Oost-Aziatische economieën.

Een van die sprookjes is dat veel sparen en investeren leidt tot sterke bloei. Dat is alleen waar, meent het blad, als het geld goed gebruikt wordt. En dat was niet het geval, omdat het besteed werd aan subsidies en slechte leningen. Het resultaat is overinvestering in onroerend goed en industriële projecten en overcapaciteit in de sectoren auto's, staal, chemie en chips. Een ander sprookje is dat de overheid in de Oost-Aziatische economieën weinig ingrijpt in de markt. Dat klopt alleen als je de overheidsbemoeienis uitdrukt in percentages van het bruto binnenlands product. Want de overheid bemoeide zich intensief met het bedrijfsleven, niet alleen in de vorm van subsidies en gemakkelijke leningen, maar ook in het verlenen van belastingvrijstellingen en monopolies.

Een graadmeter voor overheidsbemoeienis is de omvang van de zwarte markt. Volgens het blad omvat de ondergrondse economie van Indonesië en van de Filippijnen 35 procent van het bruto binnenlands product en 20 tot 25 procent van de economie van Zuid-Korea, Maleisië en Taiwan. Daar komt bij dat veel overheidssteun niet effectief is. Volgens een rapport van de Wereldbank uit 1993 zijn geleide kredieten en exportsubsidies soms een effectief steuntje, maar industriebeleid voor het stimuleren van specifieke sectoren leidt nergens toe. Het weekblad The Economist is verkrijgbaar in de kiosk. www.economist.com