Overleg over projecten; Pronk nodigt Surinaamse collega uit

DEN HAAG, 10 MAART. Minister Pronk heeft zijn Surinaamse collega Nain uitgenodigd om volgende maand naar Den Haag te komen voor het halfjaarlijkse overleg over ontwikkelingsprojecten dat tussen beide landen gebruikelijk is.

Pronk hoopt dat de Surinaamse regering haar eis dat er eerst een politieke top met Nederland moet komen vóór er over nieuwe ontwikkelingsprojecten kan worden gesproken laat vallen. Hij acht deze “koppeling” niet in het belang van “de mensen in Suriname zelf”, zei hij vanmorgen voor de NOS-radio.

Vorig najaar had de Surinaamse president Wijdenbosch zo'n overleg van Nain en Pronk in Paramaribo opgeschort tot na een door hem geëist topgesprek met premier Kok of minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) over de relatie met Nederland en de interpretatie van het Ontwikkelingsverdrag van 1975 en het Raamverdrag van 1992.

Lopende projecten gaan door, maar over nieuwe ontwikkelingsprojecten, waarvoor een bedrag van omstreeks 600 miljoen gulden aan verdragsmiddelen beschikbaar is, kan pas worden beslist in een overleg van de twee verantwoordelijke ministers. “Sommige projecten vereisen toch discussie omdat er een paar beslissingen moeten worden genomen omtrent wat bijstellingen”, zei Pronk vanmorgen. Juist daarom is zijn Surinaamse collega “welkom”, zei hij.

Pronk “weet niet” of de Surinaamse regering op de uitnodiging zal ingaan. Maar hij wil “niet de indruk wekken dat wij geïrriteerd zijn door het afwijzen van het normale overleg van november vorig jaar”. De minister wees er vanmorgen op dat het door Suriname gewenste bilaterale topoverleg niet op korte termijn tot stand zal komen.

Den Haag en Paramaribo hebben vorige week besloten om die top eerst ambtelijk-diplomatiek te laten voorbereiden om het risico van een mislukking zo klein mogelijk te maken. Een topgesprek waaraan de Nederlandse minister-president deelneemt lijkt Pronk niet waarschijnlijk voor de Tweede-Kamerverkiezingen van begin mei.

Daarom zou Pronk zich kunnen voorstellen “dat zich in Suriname zelf de conclusie opdringt dat het toch verstandig is om maar een ontkoppeling tot stand te brengen” tussen besluiten over nieuwe ontwikkelingsprojecten en de besprekingen die men graag zou willen op topniveau.