Nederland houdt huis als een bezetene

Het begrip huishouden heeft in de voorbije decennia een zeer negatieve connotatie gekregen. Huishouden is een tragische activiteit, die nooit af is. Ileen Montijn constateert echter dat veel mensen het juist buitengewoon plezierig vinden allerlei dingen in en om het huis te doen. Ze noemen het alleen anders.

Een van de merkwaardigste woorden die er bestaan is huishoudkwaliteit. Het is een intens Nederlands woord, dat doet denken aan Tomadorekjes en De Gruyters snoepje van de week. Maar bovendien gaat, waar het woord huishoudkwaliteit valt, een wereld van naargeestige compromissen open.

Het tekort is ingebouwd in dit woord, dat op het eerste gezicht iets aanprijst (fijn, speciaal voor de huishouding), maar tegelijk beduidt: nee, geen topkwaliteit. Wilt u echt goede spullen, zware roestvrijstalen pannen, onverslijtbare dweilen, delicate jam, dan moet u ergens anders zijn. Bij de beroepskoks of -schoonmakers bijvoorbeeld, of in de delicatessenwinkel. U bent maar met de huishouding bezig. Het is uw werk, u doet het elke dag, maar om u nou professioneel gereedschap te geven, nee. Dat wordt ook te duur, begrijpt u wel.

En zo ploetert de huisvrouw voort met huishouddoekjes en huishoudemmers en honderden andere artikelen van huishoudkwaliteit - echt dat je zegt betaalbare spullen: maar nooit het beste dat zij krijgen kan.

Natuurlijk, huishouden is een kwestie van compromissen sluiten. Alleen al, omdat het nooit af is. Er kan altijd iets nog schoner, er kan altijd nog een lusje aan een theedoek worden gezet, of even een lading koekjes gebakken of een vaas met bloemen opgefrist - een huisvrouw is per definitie iemand die tekortschiet.

Een huisman natuurlijk ook, maar omdat zijn uitgangspositie anders is (hij hoefde oorspronkelijk niets, dus alles wat hij doet is meegenomen, terwijl zij oorspronkelijk alles moest, dus is elk lusje dat zij niet aannaait haar te verwijten) daarom is het tekortschieten van de huisvrouw dramatischer. En daarom moet zij het maar doen met dingen van de tweede garnituur, redelijk goede hulpmiddelen om een aanvaardbaar resultaat te bereiken. Schoon genoeg, zoals de titel luidt van een boek dat zojuist is verschenen in het kader van de herdenking van 'Honderd jaar Vrouwenarbeid' (Ruth Oldenziel, Carolien Bouw [red.], Schoon genoeg, Huisvrouwen en huishoudtechnologie in Nederland 1898-1998, SUN Nijmegen).

Schoon genoeg - maar we weten allemaal wat de uitkomst zou zijn als de Keuringsdienst van Waren een kweekje zou komen maken van de keukenhanddoek.

Hoe is dat nu toch gekomen, dat huishouden zo'n treurige klank heeft gekregen? Vanwaar dat ingebouwde tekort?

In oude boeken - van vóór circa 1900 - hebben woorden als 'huisvrouw' en 'huishouden' steevast een ondertoon van trots. Wat doen wij met een huishouden? Wij bestieren het. Toen was huisvrouw een leidinggevende functie, huishouden een vak dat op verschillende niveaus, goed of slecht, kon worden beoefend. Als het enigszins mogelijk was, en er was een man die genoeg geld verdiende, deed men daar niets naast; pure armoede dwong vrouwen (de meerderheid, dat wordt wel eens vergeten) om zich te verhuren als wasvrouw, werkster of baker.

De problemen begonnen toen een onverlaat vaststelde dat andere bezigheden interessanter waren dan huishouden. Toen de mensen, inclusief huisvrouwen, begonnen te dromen van hoger honing. Van creatieve arbeid die je niet uit noodzaak zou doen, maar terwille van de persoonlijke voldoening. Persoonlijke voldoening als democratisch recht is een uitvinding van de laatste eeuw of zo. Natuurlijk was het niet onjuist, dat er veel interessantere dingen zijn dan huishouden - natúúrlijk is dat zo - maar het is jammer dat die waarheid op zo brede schaal werd omhelsd. Vanuit het oogpunt van de huishouding als idee, als begrip, werd toen een heilloze weg ingeslagen.

Huishouden werd iets voor iemand die niets beters te doen had, of niets anders kon. Tussenbezigheid, noodzakelijk kwaad, het vulsel dat ervoor zorgt dat je nooit echt rust hebt; ballast van het leven. En iedereen die wist hoe het hoorde, begon meewarig te doen over het schepsel dat er al haar tijd aan gaf. Ach, wat een zielig, leeg bestaan had de huisvrouw toch.

Even, rond 1920, flakkerde er iets op dat uitkomst leek te bieden, een benadering van het huishouden die voldoening beloofde, denkwerk vereiste, efficiënt zou zijn. In 1914 publiceerde de Amerikaanse Christine Frederick het boek The New Housekeeping: Efficiency Studies in Home Management. Is er een beledigender boektitel te verzinnen dan die van de Nederlandse bewerking van dat boek, De denkende huisvrouw (1928)? De man van mevrouw Frederick werkte in de auto-industrie, waar omstreeks dezelfde tijd de lopende band was uitgevonden. Dat vond zij geweldig.

Als een kind dat de grote wereld naspeelt, bedacht Christine Frederick dat je ook van het productieproces in de keuken schema's zou kunnen maken, de stappen zou kunnen tellen die een huisvrouw verzet bij het bereiden van de maaltijd.

Niet dat mevrouw Frederick ooit zelf de maaltijd zal hebben bereid, want zoals alle dames van haar stand had zij daar personeel voor. Maar je ziet haar voor je, een blocnote en een stopwatch in haar hand, staande in de keukendeur, kijkend hoe haar Betsy bezig is met de soep: 'Nee, Betsy, moet je kijken, als we de pot met zout nu eens vlak bij het fornuis zetten, dan bespaar je iedere keer zes stappen, drie heen en drie terug! Dan kun je straks nog even fijn de bel poetsen!'

Dergelijke ideeën bereikten ons land ook via het boek van een Duitse schrijfster, dr. Erna Meyer. Het werd bewerkt en vertaald door Riek Lotgering-Hillebrand, en in 1929 op de markt gebracht onder de iets minder beledigende titel De nieuwe huishouding.

Op de eerste, de beste pagina van dit boek vinden wij een verhandeling over vellen op melk, bezien vanuit economisch oogpunt. Als vellen van de gekookte melk worden weggegooid, zo rekent dr. Meyer voor, verdwijnt daarmee 5,4 procent van de droge stof van de melk in de gootsteen! Mevrouw Lotgering rekent uit dat dat bij de Nederlandse melkprijs van 12 cent 0,648 cent per liter is; en bij een hoofdelijk verbruik per dag van 0,3 liter melk, landelijk gezien 15.552 gulden per dag.

Hoe melk te koken zonder vellen, of anders jezelf of iemand anders ertoe te brengen om die vieze dingen op te eten, en wat voor lekkers je dan moet laten staan om profijt te trekken van de besparing, vermelden de dames niet. Maar de passage is tekenend voor de geest van de nieuwe, efficiënte huishouding. Stappen tellen, krenten wegen en vieze dingen eten omdat het anders zonde is. Ziedaar het resultaat van pogingen om van het huishouden een beroep te maken, zoals de titel van de tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum zo argeloos suggereert.

Daar is ook een keukentje te zien dat is ontworpen met het oog op de denkende huisvrouw en rond 1935 bij honderden ingebouwd in een moderne nieuwe wijk van Amsterdam-West, Landlust. Het ontwerp geeft blijk van weinig vertrouwen in het vermogen van de huisvrouw om zelf te denken. Zij wordt eenvoudig gedwongen om minder overbodige stappen te zetten, als een dienstbode wier mevrouw er niet bij kan zijn om haar te observeren bij het maken van de soep. Zo werd de Landlust-keuken een ruimte, zo klein dat de associatie met een kistkalf vanzelf opkomt.

Maar in de ruim zestig jaren die sindsdien zijn verstreken is veel veranderd. Alles is weer eens totaal anders gelopen dan de toekomstvoorspellers van een paar generaties geleden voor ogen hadden. Die dachten dat huishouden een noodzakelijk kwaad was, dat dankzij de techniek steeds efficiënter zou worden afgehandeld, met meer apparaten op een steeds kleiner oppervlak. De mensen, mannen en vrouwen, zouden dan steeds meer voldoening schenkende arbeid kunnen verrichten. De ballast van het huishouden zou slinken tot een onplezierige bijkomstigheid.

Wat blijkt? Heel veel mensen willen helemaal geen voldoening schenkende arbeid, en ook geen beroep. Zij vinden het juist heerlijk om dingen te doen in en rond hun eigen huis, sfeer te scheppen, lekkere hapjes te maken, verbeteringen aan te brengen en er spullen voor te kopen. De Nederlanders zijn huishoudelijker dan ooit, alleen noemen zij het niet meer zo, want het woord is besmet geraakt.

Kijk naar de oplage van de Libelle, kijk naar het aantal Blokkerwinkels, naar de kolossale doe-het-zelfmarkt, naar Ikea. En niet te vergeten naar de aloude Huishoudbeurs, waaraan ook op de expositie enige aandacht wordt besteed. Als íets duidelijk maakt hoeveel belangstelling er is voor huishoudelijke snufjes in de breedste zin van het woord, zijn het wel de honderdduizenden bezoekers die jaarlijks naar dit evenement stromen, met bussen vol, met auto's, met speciale dagtochtjes van de spoorwegen. Nederland houdt huis als een bezetene.

Het schrikbeeld van de groene weduwe die aan de sherry raakt omdat zij zich verveelt in haar nieuwbouwflat, is zwaar verouderd. Het nieuwe schrikbeeld is dat van de gestresste vader die geen tijd heeft voor zijn gezin en niet weet waar de stofzuiger staat. Betaald werk, zo blijkt steeds vaker uit onderzoek, is een bedreiging voor ieders geestelijke en lichamelijke gezondheid. Je krijgt er muisarm van, en burn-out. Politici en topmanagers roepen om het hardst dat zij meer tijd zouden willen besteden aan hun gezin, of het nu een spelletje met de kinderen is of het snoeien van de heg.

Huishouden, zo heette dat vroeger. Sinds het geen beroep meer is, is het voor talloze Nederlanders een liefhebberij geworden. Alleen spreken zij liever van kokkerellen, van doe-het-zelven, van het restylen van de slaapkamer of gewoon van tuttelen in huis. Alleen wie heel sterk in zijn schoenen staat, zoals de Huishoudbeurs - of het Amsterdams Historisch Museum - treedt nog frank en vrij voor het voetlicht met woorden als 'huishouden' en 'huisvrouw'.

    • Ileen Montijn
    • Huisvrouw' in het Amsterdams Historisch Museum