Het scheiden van de markt

Half vijf. De kramen worden afgebroken. Marktpersoneel neemt zeilklemmen af, draait vleugelmoeren los, rolt de zeilen om de latten en schuift de jukken tegen elkaar. De kooplieden pakken hun handel in kratten of dozen en stouwen die in box of auto. Iedereen loopt iedereen in de weg.

Er wordt gevloekt, gelachen en opgejaagd. Elektrische karretjes, die de kramen naar de opslag slepen, zoeken zich zoemend een weg. Op de opengevallen stukken straat wordt afval en onverkoopbare handel achtergelaten: gebroken kopjes, boeken, kleren. Tussen de straatstenen glinsteren de glassplinters.

Vijf uur. Jutters bevolken het terrein. Een vrouw met een lampenkap om haar arm probeert haar voet in een scheefgelopen schoen te wringen. Een man met een fiets verzamelt plastic klerenhangers aan zijn stuur. Een jongen met een tekenmap klemt tevreden een pannendeksel en een kaasrasp tegen zijn borst. Een stel dat in een krakkemikkige auto het terrein op scheurt, begint - zonder sorteren - razendsnel alle dozen met achtergelaten vaatwerk in te laden. “Ratten”, scheldt de man met de fiets. “Gauw ergens anders verkopen, hè! Voor ons blijft niks over!” Uit een opengekrabde vuilniszak staat een hond belegde boterhammen te schrokken.

Half zes. De gemeentelijke vuilnisauto komt de hoek om. Alle jutters verzamelen zich achter de muil van de wagen. Een baardige zwerver rukt, net op tijd, een deken uit de hand van een vuilnisman. Een meisje wil nog snel een klapstoel inspecteren. Uit de auto klinkt het geluid van krakend hout en versplinterend glas.

Zes uur. Het terrein is leeg. De jutters hebben plaatsgemaakt voor straatvegers met in hun kielzog de borstelwagens.

Half zeven. Stilte. Tot de volgende morgen is de straat weer van zichzelf. Er valt niets meer te halen. Of toch nog? Rond de patattent pikken duiven de laatste restjes frites tussen de stenen weg.