Geen bewijs voor nieuwe rechtse golf in Oost-Europa

Reeds vanaf het moment dat de Berlijnse Muur (zowel in werkelijkheid als metaforisch) viel, hebben intellectuelen in West- en Oost-Europa gewaarschuwd voor het gevaar van 'rechts' in postcommunistisch Europa. In het algemeen betreffen deze waarschuwingen uitbarstingen van extreem-rechts in de zin van (ultra)nationalisme, zoals met name waargenomen in de voormalige multinationale staten Joegoslavië en de Sovjet-Unie.

Zowel in de publieke als de wetenschappelijke opinie wordt dit gewelddadig en intolerant nationalisme als typisch Oost-Europees beschouwd. De oorzaken van de recente uitbarstingen worden gezocht in verschillende perioden: precommunisme (eeuwenoude rivaliteiten), communisme (autoritaire opvoeding), en postcommunisme (transitieverliezers).

Met het (broze) bestand in Joegoslavië lijken verschillende waarnemers voorzichtig los te komen van de traumatische ervaringen aldaar, waardoor een meer objectieve inschatting van het zogeheten nationalistische gevaar in Oost-Europa mogelijk wordt. Dan blijkt dat, hoewel er nog verschillende brandhaarden (Bosnië) en potentiële brandhaarden (Kosovo, Macedonië) blijven, nationalisme niet, in de woorden van Stephen Fischer-Galati, de conditio sine qua non van de Oost-Europese politiek is. Sterker nog, extreem-rechtse partijen, in de zin van nationalisme en xenofobie, zijn electoraal sterker in West-Europa dan in Oost-Europa. De belangrijkste vertegenwoordigers in het oosten zijn Zjirinovski's LDPR in Rusland, waarvan de electorale kracht reeds sterk is afgenomen, en Seseljs SRS in Servië, waarvan de electorale kracht grotendeels het gevolg is van de verkiezingsboycot door de democratische partijen. Andere extreem-rechtse partijen, zoals de Slowaakse SNS, lid van de coalitieregering van Mear, hebben 'slechts' de steun van zo'n zeven procent ven de bevolking (de helft van de steun van het Franse Front National, bijvoorbeeld).

Dit inzicht wordt gedeeld door Marcin Krol, die zelfs voorspelt dat de steun voor deze partijen nog zal afnemen, daar meer mensen van de transitie zullen profiteren (NRC Handelsblad, 21 februari). Echter, daarvoor heeft Krol een ander 'nieuw rechts gevaar' weten te vinden, waarvan het potentieel veel moeilijker te weerspreken is. Dit komt omdat zijn omschrijving van dit nieuw rechts buitengewoon vaag en ontastbaar blijft. Volgens Krol is Oost-Europees nieuw rechts radicaal conservatief, verzet het zich tegen rationalisme, de ontwikkelingsgedachte en (wat het ziet als) postmodernisme. Waar het op uit lijkt te draaien is echter, om in Westerse termen te blijven, een combinatie van (radicaal) neoconservatisme - de combinatie van een neoliberaal economisch programma met een conservatief sociaal program - en 'communitarisme' - het idee dat individuen gemeenschapswezens zijn. Wellicht als gevolg van de vertaling in Westerse termen, lijkt dit niet echt een typisch Oost-Europees 'probleem'. Voor zowel het neoconservatisme als het 'communitarisme' fungeren de Verenigde Staten als de (intellectuele) bakermat. Met name daar is in de afgelopen jaren ook het zogenoemde liberalisme-communitarisme debat uitgevochten, waarbij de algemene uitkomst is dat het communitarisme eigenlijk slechts een variant van het liberalisme is. Voor neoconservatisme was dit reeds eerder overtuigend beargumenteerd.

Het is moeilijk aan te tonen dat dit ook het geval is in Oost-Europa en dat Krol, in navolging van verschillende intellectuelen in het Westen in de jaren tachtig, het gevaar van 'intellectueel nieuw rechts' overschat. Hij maakt namelijk niet duidelijk om wie het gaat. Enkele personen uit Solidariteit? Wie? En welke politieke relevantie hebben deze personen? Solidariteit is ondertussen versplinterd in zoveel verschillende fracties en eenlingen dat de relevantie van de beweging kleiner en kleiner wordt. In andere Midden-Europese landen zie ik zo snel ook geen duidelijke dreiging. Neoconservatieve partijen die individuele vrijheden willen beknotten om zo een succesvolle economische transitie te garanderen lijken mij niet te vinden in Tsjechië en Hongarije. In Slowakije heeft de regerende Beweging voor een Democratisch Slowakije (HZDS) van premier Mear een zekere neiging tot beknotting van democratische rechten, maar daar lijkt de link met een economisch program weer ver te zoeken. Anderzijds, in een gematigde vorm is dit neoconservatisme alom in deze landen vertegenwoordigd, in rechtse partijen als de Tsjechische Democratische Burgerpartij (ODS) van voormalig premier Klaus en in linkse partijen als de Hongaarse Socialistische Partij (MSzP) van premier Horn. Het gaat echter veel te ver om hier een gevaar te zien.

Waar is dan het nieuw-rechtse gevaar in Oost-Europa? Vooralsnog lijkt dit zich, evenals in het Westen, vooral af te spelen in intellectuele kringen. De politieke relevantie van deze kringen is vaak echter buitengewoon beperkt - niettegenstaande de grote aandacht die zij trekken in de (pseudo)wetenschappelijke bladen. Politieke partijen zullen zeker de retoriek van deze kringen bij tijd en wijle gebruiken, maar voor zover het terugkomt in werkelijk beleid en politiek, zien we het meestal in een verwaterde vorm. Zo moeten we dan ook concluderen dat, evenals in het geval van de eerder zo gevreesde nationalistische golf, er ook voor Krols 'nieuw-rechtse golf' geen concreet bewijs bestaat.