Eerste zin

Het boek The Smithsonian Institution van de Amerikaanse schrijver Gore Vidal begint met de zin: “Oorlogswolken pakten zich samen boven Europa toen T. uit het slaapgebouw van de lagere school van St. Albans naar buiten kwam en een taxi aanhield.“ Een opmerkelijke zin.

W.F. Hermans gaf eens een lezing over eerste zinnen van romans. In de tijd dat het linksisme nog aan de macht was in Amsterdam, Hermans door het gemeentebestuur als ongewenst persoon werd beschouwd en de culturele instelling die hem had uitgenodigd bedreigd werd met intrekking van de subsidie. Nog niet eens zo erg lang geleden, elf jaar nog maar. In ieder geval te vroeg om deze zin van Vidal nog mee te nemen, want die verscheen pas dit jaar in druk.

Je schrikt even op als je hem leest. Het zal toch niet zo zijn dat de slimme Gore Vidal seniel is geworden? Het lijkt er op. Dat verschrikkelijke cliché van de oorlogswolken die zich samenpakken. En dan die dwaze en daardoor komische samenvoeging van het grote en het kleine, de oorlogsdreiging in Europa en het aanhouden van een taxi door een Amerikaanse scholier. Het lijkt de zin van een beginnend auteur. Hij heeft net een schrijverscursus gevolgd waarin hem is geleerd hoe hij de lezer snel duidelijk moet maken dat belangrijke historische gebeurtenissen de achtergrond van zijn roman zullen vormen. Hij heeft het recept al te doeltreffend toegepast, waardoor hij een ongewild komisch effect heeft bereikt.

Dat denk je even, maar niet lang, want je hebt vertrouwen in de schrijver. De kans dat hij werkelijk seniel is geworden is klein. En in normale toestand is Vidal te intelligent om een boek te beginnen met zo'n bar cliché. En het cliché van de oorlogswolken is wel het laatste dat hij zou gebruiken. Het is in strijd met alles waar hij voor staat. Het beschrijft de oorlog als een natuurverschijnsel, waar niemand verantwoordelijk voor is. Wolken pakken zich samen, daar valt weinig aan te doen. Vidal heeft een groot deel van zijn leven een kruistocht gevoerd tegen het Amerikaanse imperialisme dat volgens hem overal oorlogen sticht. De oorlog is voor Vidal altijd een gevolg van handelingen van politici die een oorlog willen voeren, nooit een natuurverschijnsel waar ze machteloos tegenover staan.

Als deze eerste zin een komische indruk maakt, moet het opzettelijk zijn. En zodra we dat beseffen blijkt de zin buitengewoon effectief. We weten wat we ook bij een naïeve schrijver zouden weten: dat de oorlog in Europa een rol in het boek zal spelen. Een paar regels verder staat het jaartal 1939 en omdat een getal tussen de letters onmiddellijk in het oog springt, weten we bij het lezen van de eerste zin ook al om welke oorlog het gaat. Maar omdat we Gore Vidal kennen weten we nog meer: na slechts zes woorden beseffen we dat het een komisch boek zal zijn en waarschijnlijk een satire op Amerikaanse oorlogshitsers.

Er is wat goede wil voor nodig en vertrouwen in de schrijver. Als je dat niet hebt, zou die eerste zin genoeg kunnen zijn om het boek in de prullenmand te doen belanden. Hoe moeilijk hebben onbekende schrijvers het die in een andere taal vertaald worden. Ze kunnen geen beroep doen op de welwillendheid van een lezer die zo vertrouwd is met de schrijver dat hij beseft dat de schijnbaar primitieve eerste zin in werkelijkheid gewiekst is. Ze zijn meteen de lezers kwijt die ze zouden willen hebben. Misschien krijgen ze er andere lezers voor terug, de lezers die er niets verkeerds in zien als oorlogswolken zich in de eerste zin samenpakken.

Stel je voor dat het de eerste zin zou zijn van een vertaald boek van een Japanse schrijver. Zou ik het boek meteen in de prullenmand gooien? Waarschijnlijk niet. Ik zou niet weten wat ik er van denken moest. Je houdt er rekening mee dat die Japanner zich misschien wat bloemrijker uitdrukt dan hier gewoon gevonden wordt. Misschien zijn de oorlogswolken daar geen versleten beeld, maar een neutrale uitdrukking waar niemand zich aan stoort. Misschien is het daar een gebruikelijke conventie om zo plomverloren de grote oorlog en de kleine taxi in een eerste zin samen te brengen. Je kan het verschil niet zien tussen een slap cliché en een neutrale conventie, en daarom zou je ook geen idee hebben of die eerste zin banaal is, gewoon, of juist slim door een dubbele bodem.

De Japanse film Hana-Bi van regisseur Takeshi Kitano die op het ogenblik draait, wordt erg mooi gevonden, niet alleen door de critici maar ook door iedereen die ik spreek. Ik wil niet zeggen dat ik ongevoelig ben voor de esthetiek van de strak gesneden beelden, maar ik ergerde me bij die film aan wat mij voorkwam als een onuitstaanbare japannerie. Die zwijgzaamheid van de hoofdpersonen, die we zo vaak in Japanse films zagen. Het vanzelfsprekend samengaan van grove gewelddadigheid en fijnzinnige gevoeligheid voor subtiele theeceremonieën. De esthetiek van bloemen. En het wordt er zo ingehamerd! Niet één keer bloemen, maar voortdurend bloemen. En als de invalide oud-politieman zit te mijmeren bij de eindeloze zee, dan mijmert hij ook minuten lang en de zee klotst voort in eindeloze esthetische deining.

Als ik het zie denk ik: dat is natuurlijk waarvan ze in Japan denken dat wij het mooi vinden, omdat we het zo typisch Japans vinden. Zelf worden ze natuurlijk gek van al die cliché's. Maar of het waar is, geen idee. De helden van Westerse gewelddadige films waren ook vaak zwijgzaam. Dat vat ik niet op als een cliché, maar als een conventie van het genre. Misschien zien de Japanners bij Hana-Bi ook onschuldige conventies. Maar als een Japanner kijken kan ik niet.

Rudy Kousbroek schreef eens over een Japanse professor die in Parijs woonde. Miste die het Japanse eten? vroeg Kousbroek. O, nee, dat kon je in Parijs in veel restaurants heel goed krijgen. Wat je in Europa niet kon krijgen helaas, was Westers eten op zijn Japans klaargemaakt.

Maar nu toch wel, en het heet Hana-Bi. Zo ongeveer komt het me voor. Het kan best onzin zijn. In het zogenaamde werelddorp kunnen we de anderen nog steeds niet begrijpen.