Diep ongelukkig in de Dapperstraat

Het onderwerp van de Boekenweek, Panorama Nederland, is levensgevaarlijk voor de literatuur. Romans zijn ineens geen romans meer, maar documenten die het voyeurisme van de lezers dienen. Kester Freriks pleit voor de roman als vrucht van de fantasie.

Meer dan ooit gaan de laatste jaren beschouwingen over schrijvers en schilders vergezeld van plattegronden. Berlijn heeft, nu Brecht honderd jaar geleden werd geboren, zijn Brecht-wandeling. In Brussel is een Magritte-route uitgestippeld. In Gorinchem kunnen belangstellenden lopen in het voetspoor van Arthur van Schendels roman De waterman, die zich hier afspeelt. Er komt een Vestdijk-route, Couperus kunnen we terugvinden op tal van straathoeken en in de Passage van Den Haag. Ook in de Amsterdamse binnenstad vliegt de literatuur als geografisch fenomeen je om de oren. In dat café, in die tram, aan de Lauriergracht, daar aan de ingang van het Vondelpark of aan de voet van de Westerkerk, op de Blauwbrug, in de Stadsschouwburg, in de Raadhuisstraat: overal speelt zich wel een scène uit de literatuur af, of een schilder legde die plaats vast.

Zo stonden, om maar een moment uit de talloze te noemen, de toen jonge schrijfster Hella S. Haasse en de al veel oudere Maria Dermoût op de hardstenen stoep van het pand van Uitgeverij Querido aan het Singel 262. Het was halverwege de jaren vijftig. Een herfstdag, het regende. De beide schrijfsters stonden daar als verzopen katten. Ze hebben iets tegen elkaar gezegd, niet veel, en ik zou dat graag willen weten. Hella Haasse herinnert het zich niet meer en Maria Dermoût is dood. Ik kom er nooit achter. Maar als ik zelf op die uitgesleten hardstenen stoep ga staan, heb ik het idee dat ik die woorden uit het niets te voorschijn kan toveren. Liefst moet het ook nog regenen, net als toen. Inbeelding natuurlijk, illusie. En toch, als we ons op dezelfde plek gaan begeven als eens, jaren of soms eeuwen terug, een geliefd dichter, schrijver of schilder stond hebben we het idee dichter bij hem of haar te staan.

We lezen De koperen tuin van Vestdijk en willen het muziekpaviljoen in Leeuwarden in het echt zien. Aan de hand van boeken van W.F. Hermans of Gerrit Krol kunnen we Groningen doorkruisen. J.J. Voskuil en A.F.Th. van der Heijden leiden ons door Amsterdam. Er is het Haarlem van Louis Ferron, de Veluwezoom en het rivierenlandschap iets oostelijker van Jan Siebelink. De Peel is van Anton Coolen en de Haarlemmerhout van Nicolaas Beets. We kunnen door de ramen van Gerard Reve's nederige woonstee 'Huize het Gras' in Greonterp naar binnen kijken. Bij Oegstgeest horen Jan Wolkers en F.B. Hotz. Eindeloos kan ik doorgaan. Elk boek, elke schrijver lijkt opeens bij een landschap te horen, een stad of een dorp. Literaire pelgrimage is een felbegeerd tijdverdrijf.

Het gedicht is niet meer van de dichter, de roman geldt niet langer als de vrucht van de verbeelding. Een boek is een geografisch document geworden.

Wie de uit woorden bestaande werkelijkheid van een boek in de werkelijkheid gaat verifiëren, ontdoet het van zijn fictie. Het is alsof we de speelplaats van vroeger of het ouderlijk huis van eens gaan opzoeken: het valt altijd tegen, de speelplaats is kleiner, het huis gewoner dan we ons herinnerden. De zolder toch niet het spookpaleis van hanenbalken, spinrag en vleermuizen maar gewoon een zolder.

Drie jaar geleden bezocht ik op het eiland Ambon in Indonesië de mysterieuze, exotische tuin van Kleyntjes uit de roman De tienduizend dingen van de Nederlands-Indische schrijfster Maria Dermoût. Een plek vol geladenheid, mystieke schoonheid, dreiging: althans, zo beschreef Maria Dermoût haar. Ik kan niet zeggen dat ik verrukt of opgewonden raakte toen ik, na een moeizame en ingewikkelde zoektocht, deze weelderig-begroeide tuin aan de binnenbaai van Ambon betrad. Als de euforie er al was, duurde die kort. In mijn hoofd hamerde dat ene kleine zinnetje: “Is dit nu alles?” In mijn fantasie was die tuin uitgegroeid tot de tuin der tuinen, onbestaanbaar eigenlijk. Iets dat iemand alleen maar kan verzinnen. En nu stond ik daar zelf, rook de geuren, zag het tussen tropisch groen verscholen huis. Alleen omdat de schrijfster erover had geschreven, bezocht ik die tuin. Zij had die plaats uitgekozen om op schrift te vereeuwigen. Door mijn speurtocht maakte ik van fictie realiteit. En de winst was eerder een besef van verlies en teleurstelling.

We willen de route die Frits van Egters gaat in De Avonden van Reve nalopen. Maar waarom? Wat leert het ons dat de Schilderskade in het echt de Jozef Israëlskade heet? Reve heeft, van al die sombere en regenachtige Amsterdamse grachten, juist die ene een hoofdrol in zijn boek gegeven. Hij had de gave van het woord om die kade tot dè kade te verheffen. Daarom is de Israëlskade nooit meer dezelfde als voor verschijning van De Avonden. Ze is ontwaakt uit haar anonimiteit. Toen ik het boek voor het eerst las, ver weg in het oosten van het land en zonder een duidelijk beeld van de Israëlskade te hebben, zag ik die kade toch voor me. De woorden waren me voldoende, en daarvan ben ik nog steeds overtuigd.

Het boek Hoe God verdween uit Jorwerd van Geert Mak is een treffende illustratie van de hang van de hedendaagse lezer naar de werkelijkheid achter het boek. Vorig jaar met Pasen stond er een file naar Jorwerd. Mensen reden door de oude straatjes langs de huizen, tuurden schaamteloos naar binnen en stootten elkaar, zeiden in triomf: “Het klopt, kijk daar zit ze, de vrouw aan het spinnewiel uit het boek.”

Had Geert Mak hetzelfde boek geschreven maar onder een andere plaatsnaam de wereld in gestuurd, had hij dit voyeurisme voorkomen. Hij heeft een Fries dorp met het wel en wee van zijn bewoners uit honderd anderen uitverkoren tot hoofdpersoon in een boek, en dat dorp is niet veilig meer. Het voyeurisme van de lezers komt voort uit het verlangen het geschrevene te toetsen aan de werkelijkheid. Dat is een verkeerde manier van lezen: het enige waaraan een boek getoetst moet worden is de innerlijke overtuigingskracht van dat boek zelf.

We gaan naar Zuid-Frankrijk om Le Mont Sainte Victoire te zien, de berg die Cézanne zo vaak schilderde tot hij er uiteindelijk kubistische vormen in zag. Worden, als wij daar oog in oog met die berg in die hitte van het zuiden staan, zijn schilderijen er intenser en waardevoller door? Wat we ontdekken is dat hij de fysieke werkelijkheid van die berg heeft vervormd. “Het klopt niet”, zou iemand zeggen die de onzalige mening is toegedaan dat schilderijen of romans 'moeten kloppen'. Een documentaire of een reportage moet kloppen met de werkelijkheid, een kunstwerk niet. Want vervorming van de werkelijkheid is juist de essentie van kunst.

Miljoenen mensen hebben over de Dapperstraat gelopen. Maar niemand van hen, behalve één dichter, schreef: 'Domweg gelukkig in de Dapperstraat'. Het gerucht gaat dat Bloem vermoedelijk nooit in de Dapperstraat is geweest. Het kon zowat elke Amsterdamse straat in een van de negentiende-eeuwse buitenwijken zijn, maar het werd 'Dapperstraat' omdat hij een alliteratie zocht met 'domweg'. Ik heb nooit iemand horen tegenwerpen dat je niet gelukkig in die straat kunt zijn, dat het juist een straat is om voorgoed ongelukkig te zijn. En dat de dichter de werkelijkheid dus geweld aandoet. Nee, deze regel wordt beschouwd als een van de mooiste poëtische zinnen uit de Nederlandse taal.

Louis Couperus heeft weleens een hotel van buiten beschreven, waarbij hij opmerkte dat balkons aan de gevel ontbraken. Even later betreedt het romanpersonage een van de kamers, loopt naar de balkondeuren en opent die, stapt naar buiten en valt niet te pletter. Ze staat veilig op een balkon met een hekje en geniet van het uitzicht. Is Couperus nu een slecht schrijver? Nee, deze passage onthult iets van zijn werkwijze. Vermoedelijk diepte hij verscheidene hotels uit zijn herinnering op. Van het ene zag hij vooral de buitenzijde voor zich en van het andere kwam het interieur met balkondeuren hem tijdens het schrijven voor de geest. Emma Bovary in Flauberts Madame Bovary heeft vele kleuren ogen: groen, bruin, grijs-blauw. Hoe kan dat? Gekleurde contactlenzen bestonden toen niet. Flaubert zag haar telkens anders voor zich, in andere stemmingen en emoties, en bij die veranderende stemmingen horen, kennelijk, andere ogen. In de wereld van Flauberts boek is dat een van de krachtigste troeven om haar ontwikkeling weer te geven. Al zou dat, strikt proefondervindelijk, niet kunnen. Wat doet het ertoe.

De drang om kunst onophoudelijk te toetsen aan de werkelijkheid getuigt van een verlangen naar herkenbaarheid. Alsof we angst hebben voor de fantasie van een schrijver of de schilder een oogafwijking verwijten. Ik pleit ervoor romans weer als romans te lezen, en ons niets aan te trekken van de realiteit. Als een schrijver graag wil dat de trams in zijn boeken door de lucht vliegen of dat een van zijn personages telkens andere ogen heeft, dan moeten we daar geen vinger van de schoolmeester bij opsteken. De werkelijkheid van een boek bevindt zich tussen twee kaften, en nergens anders.