Vrouwen bespreken boeken van vrouwen

Surplus, jaargang 12 nr.2, maart/april 1998. Uitg. Stichting Surplus. Verschijnt zes keer per jaar. Abonnement ƒ 42,50. Losse nummers f 7,50.

Omdat het Internationale Vrouwendag was, maar nog meer omdat ik benieuwd was naar een feministische visie op Conny Palmens boek I.M., kocht ik gisteren het tweemaandelijke literaire vrouwentijdschrift Surplus.

De recensie van I.M. is van de hand van hoofdredacteur Monica Soeting, en draagt de veelzeggende titel 'Zelfportret der bewondering'. Veel waardering heeft de recensente niet voor Palmens bestseller. 'In I.M. wordt, afgezien van het laatste gedeelte, niet verteld, maar meegedeeld. Palmens ideeën over de mens in het algemeen en zichzelf in het bijzonder worden uitgekauwd en verteerd nog voor de lezer kans heeft gezien ze tot zich te nemen. De schrijfster zelf is geenszins van plan om naar de achtergrond te verdwijnen. De personen weigeren zich tot personages te laten transformeren, en het persoonlijke wil maar niet algemeen worden.'

Over de vraag of zo'n boek wel tot de literatuur gerekend kan worden, laat Soeting zich niet rechtstreeks uit. Wel meent ze dat lezers er geen literair genoegen aan zullen beleven.

Zoals Connie Palmen zich in I.M. onder meer bezighoudt met de drijfveren van het schrijven, zo buigt ook de Vlaamse Marcella Baete zich over deze vraag. In het openingsessay van Surplus, dat veel weg heeft van een pamflet, laat ze weten dat ze in haar werk 'de banier van de opstand' wil dragen. Net als Louis-Paul Boon wil ze de mensen 'een geweten schoppen', alleen weet ze dat lang niet niet zo mooi onder woorden te brengen als de meester zelve. Baetes woorden klinken niet alleen hol, ze ronken ook. 'Oorlogen die woekeren in de wereld. Daarover moest ik schrijven. Om het de lezer in het gelaat te slingeren, in hun ontstelde geweten te gooien.' Ze blijkt serieus van mening te zijn dat schrijvers moeten worden 'ingezet' in de strijd tegen onmenselijkheid en ook tekent ze protest aan tegen het feit dat Solzjenitsyn, volgens haar een 'sympathissant van de nazi's', ooit de Nobelprijs voor de literatuur keeg. Om haar eigen werk aan te bevelen laat ze weten 'een kind uit het volk' te zijn dat over niets anders kan schrijven 'dan over dat volk'.

De meest opmerkelijke bijdrage in Surplus is echter een ander pamflettistisch artikel. Dit keer zit het pamflet verstopt in een recensie van het schitterend uitgegeven en ook inhoudelijk rijke boek Met en zonder lauwerkrans, over schrijvende vrouwen uit de vroeg moderne tijd, onder redactie van Riet Schenkeveld-van der Dussen. In haar bespreking van dit prachtboek verkondigt Monica Soeting dat het 'al vele jaren passé is om van vrouwenliteratuur te spreken'. Haar voornaamste kritiek op de redactie van Met of zonder lauwerkrans is dan ook dat deze 'ondanks de loffelijke intentie (...) om de traditionele classificatiedrang te doorbreken, zelf ook herhaaldelijk van vrouwenboeken en vrouwenliteratuur spreekt.' Volgens de recensente heeft het 'geen zin om biologische aspecten met literaire kwaliteiten te verwarren'. Een voor de hand liggende gedachte, behalve natuurlijk uit de mond van de hoofdredacteur van een feministisch literair tijdschrift, dat alleen aandacht heeft voor boeken van vrouwen. 'Verschillen bestaan', schrijft ze, 'maar dat is geen reden om in categoriseringen te vervallen, en al helemaal niet om in ongelijkwaardige verschillen te denken. Het enige dat binnen de literaire wereld ongelijkwaardig is, is de beoordeling.'

Deze laatste opmerking is ongetwijfeld bedoeld om het bestaan van een tijdschrift als Surplus tegen de klippen op te rechtvaardigen, maar overtuigen doet dat niet. De beoordeling door Soeting van bijvoorbeeld een boek als I.M. verschilt namelijk niet wezenlijk van de beoordelingen van ditzelfde boek door een reeks manlijke recensenten in andere bladen. En hetzelfde geldt voor de recensies in dit Surplus-nummer van de nieuwe boeken van Hella Haasse, Renate Dorrestein, Carolijn Visser en Marga Minco. Stuk voor stuk zijn dat lezenswaardige beschouwingen, maar wat er - in vergelijking met de besprekingen in kranten en niet-feministische tijdschriften - nu specifiek feministisch of op andere wijze 'anders' aan deze kritieken is, ontgaat me.