Jacco van Renesse over operette

AMSTERDAM, 9 MAART. “Ik ben niet uitsluitend operettezanger, mijn vak is het muziektheater. Ik ben begonnen met cabaret en toneel en ben later musicals en operette gaan doen. In de operette komen alle elementen uit het muziektheater bij elkaar: zingen, dansen en acteren. Daarin kon ik kwijt wat ik aan capaciteiten had.”

Jacco van Renesse (61), de enige Nederlandse operettezanger met een koninklijke onderscheiding, was 23 jaar solist bij de Hoofdstad Operette. Op 15 maart neemt hij in de Amsterdamse Stadsschouwburg afscheid waar hij tijdens een voorstelling van Die Fledermaus een kleine extra rol zal spelen. Hij blijft actief op Radio 4 in het Avro-programma Jacco's keus. Zijn lange curriculum vermeldt een opleiding tot tekenleraar, een balletopleiding, vier maanden toneelschool ('verwijderd wegens gebrek aan talent'), werk als crooner en entertainer en een reeks rollen op toneel en tv. Van '58 tot '65 zat hij bij het ABC-cabaret van Wim Kan. Daarna liet hij een generatie dames zwijmelen voor de zwart-wit-tv bij de NCRV-musicals waarin hij optrad met Jenny Arean. Maar waar zij in de wereld van musical en cabaret bleef, werd hij 'het gezicht' van de operette in Nederland.

“Na de musicalperiode wilden we allebei meer aan toneel doen. Ik ging naar de Haagsche Comedie, maar miste daar het zingen. De toenmalige regisseur Alexander Pichler van de Hoofdstad Operette ontdekte mijn dansachtergrond. Hij heeft mij in Gräfin Mariza de czardas laten zingen en dansen, zelfs achterover op handen en voeten. Ik was een uitgesproken buffo, dus geen statische, lyrische tenor. De laatste jaren ben ik meer karakterrollen gaan spelen, zoals de oudere baron Zeta in Die Lustige Witwe. Ik was heel blij met mijn laatste rol, Albin/Zaza in de musical La Cage aux Folles, een moeilijke travestierol waarvoor ik tijdelijk was uitgeleend aan Stardust Theatre.

“Anders dan in musicals werk je bij de operette nog steeds zonder microfoon. Je hebt er een klassieke zangopleiding voor nodig. Die heb ik gehad van Coby Riemersma. In het theater heb ik onder anderen veel geleerd van Wim Kan. Hij lette erg op timing en dictie. Zeker in operette moet de dictie perfect zijn, je moet elk woord kunnen verstaan. In een dramatische opera-aria is het minder erg als de woorden in de moeilijke hoge regionen wat wollig worden, maar in operette vind ik dat niet kunnen.

“De operette heeft helaas een oubollig imago. Ook in ons gezelschap bestond de behoefte aan moderniseren en de laatste jaren is dat ook gebeurd. La Vie Parisienne deden we in hedendaagse kostuums in een schitterende Nederlandse vertaling en in Der Vetter aus Dingsda hadden we een moderne regie met een prachtig strak decor. Vroeger werd er altijd in één stramien geregisseerd en hoefde je alleen maar stereotypen in te vullen. In een moderne regie kun je het acteren meer uitdiepen, waardoor de voorstelling meer dimensie krijgt. Het is helemaal niet meer die sfeer van tulen japonnen en gouden franjes. Dat etiket wordt erop geplakt door mensen die niet van operette houden.