In 'Sterrenstof' is Einstein een lustobject

Voorstelling: Sterrenstof, van Terry Johnson, door Theater aan het Spui & Indivina. Vertaling: Willem van de Sande Bakhuijzen. Regie en bewerking: Kim Zeegers. Gezien: 7/3 Theater aan het Spui, Den Haag. T/m 14/3 aldaar; tournee t/m 30/5. Inl. (070) 346 52 80.

Wie een drama over beroemde mensen regisseert bespaart zichzelf veel werk. De personages behoeven nauwelijks introductie want het publiek kent ze al, dus kan er met de deur in huis gevallen worden. Vier deuren telt het decor van Kim Zeegers' voorstelling Sterrenstof en evenveel illustere figuren betreden via die deuren het toneel. Ze dragen geen eigennamen, maar in de Professor herkennen we Albert Einstein, in de Actrice Marilyn Monroe, in de Honkballer Monroe's tweede echtgenoot Joe DiMaggio en in de Senator de communistenjager Joe McCarthy. Tijd: een hete zomernacht in de jaren vijftig; plaats: een hotelkamer in New York.

De Professor is in die stad om deel te nemen aan een vredesconferentie en de Actrice heeft er voor de camera's geposeerd, op een drukke straathoek, terwijl een ventilator haar jurk deed opwaaien - een verwijzing natuurlijk naar de film The Seven Year Itch waarin M.M. omgeven door het nachtelijke Manhattan met blote benen op een luchtrooster staat te dellen. De schrijver van Insignificance, zoals Sterrenstof eigenlijk heet, manipuleert naar hartelust de feiten en draait de rollen ook weleens om. Bij Terry Johnson speelt niet Einstein de docentenrol maar Marilyn en niet zij is, voor eventjes althans, het seksobject maar hij: de Actrice legt de Professor diens eigen relativiteitstheorie uit waarna hij haar ter beloning zijn benen moet laten zien.

Die scène, een van de eerste uit het stuk, is meteen raak. Johnson kent de kneepjes van het vak en in zijn vaderland Groot-Brittannië was Insignificance vanaf de première in 1982 een knaller. Ook Sterrenstof zou weleens een kassavuller kunnen worden. In elk geval valt er veel te lachen, zoals om die rare les in het begin. Ballonnen, klokjes en treintjes: het ene demonstratie-object na het andere vist de Actrice uit haar tas, en dat doet ze even gracieus als omstandig. Een explosief mengsel is zij van doortrapte vrouwelijkheid en kinderlijke spontaniteit, van nerveuze faalangst en laaiend enthousiasme. Meer nog dan de relativiteitstheorie wil de Actrice zichzelf bewijzen: omdat ze bijna is gaan geloven in haar imago van dom blondje, doet ze tegen de Professor ongelofelijk slim.

Tjitske Reidinga, vers van de toneelschool, functioneert als comédienne uitstekend. Ze spreekt met een verwonderd Rotterdams accent, buigt haar lichaam in een wulpse S, stelt zich aan, wekt irritatie - en ontroert. Want de uitgelatenheid van deze Actrice kan niet verhullen dat zij in een crisis verkeert, een artistieke, persoonlijke en relationele. Op de films waarin ze speelt kijkt ze neer, op zichzelf kijkt ze neer, op haar man kijkt ze neer: haar lawaaierige en zielig op het honkballen gefixeerde echtgenoot heeft voor haar afgedaan en als hij haar met geweld uit de hotelkamer probeert te bevrijden komt het tot een echtelijke ruzie waar de honden geen brood van lusten. Het is een hele prestatie dat Mike Libanon nog wat tederheid in zijn rol weet te leggen. Zijn Honkballer mag dan wel een kauwgumbellenblazende dommekracht wezen maar intussen voelt hij zijn vrouw haarfijn aan: “Weet je wat ze nodig heeft? Duizenden mensen die haar de hele tijd strelen en tegelijkertijd heeft ze het nodig om alleen te zijn.”

Wat jammer dat de andere leden van het kwartet zo weinig tegengas geven. Guido van Hulzen als de bloeddorstige Senator maakt bepaald geen gevaarlijke indruk; in plaats van intens te haten (de Professor namelijk, met zijn verdachte vredesmissie) zit hij slap aan zijn whiskyflesje te lurken. Van Fred van der Hilst, ooit de flitsende drummer van The Golden Earrings, gaat ook al niet veel uit, en zeker geen energie of intelligentie. Waaróm de Professor die hij moet spelen zo bezeten is van de vrede (uit schuldgevoelens over zijn medewerking aan 'Hiroshima') komt hier niet uit de verf.

En zo wordt er in Sterrenstof wel meer over het hoofd gezien. De kosmische dimensie bijvoorbeeld. Ja, men babbelt heel wat af over de snelheid van het licht en de baan van de sterren, maar het decor heeft niets ruimtelijks; het bestaat, behalve uit die vier verrijdbare deuren, uit een bed en een niervormig pluchen tapijt. De kitscherigheid daarvan doet denken aan de film die Nicolas Roeg van Insignificance maakte, alleen liet Roeg je de nietigheid van de aardse sterren ten opzichte van het gigantische firmament stukken duidelijker voelen. In het heelal van Kim Zeegers flonkert maar één echte ster en dat is Reidinga.