Glamour wint op songfestival

Zeven punten, haar op één na hoogste score, kende presentatrice Manuela Kemp gisteravond toe aan het liedje Hemel en aarde van het producentenduo Eric van Tijn en Jochem Fluitsma, gezongen door de 20-jarige Edsilia Rombley. “Niet het beste, maar wel het commercieelste,” zei ze.

Vervolgens ging haar hoogste puntental naar het nummer Mijn hart kan dat niet aan van Leo van de Ketterij en Huub van der Lubbe, gezongen door Frédérique Spigt. “Ik vind dat we ons maar eens moeten durven onderscheiden, daar in Birmingham,” aldus de presentatrice.

Maar ze was de enige van de juryleden die haar eigen smaak liet prevaleren, en dus heeft het commercieelste liedje de nationale finale voor het Eurovisie Songfestival gewonnen. Hemel en aarde is zo'n nummer dat al duizend keer eerder is geschreven en gezongen; het valt hooguit op door twee verkeerde klemtonen in de tekst (liefdesléven in plaats van liefdesleven en aanráákt in plaats van aanraakt) waar natuurlijk geen enkel jurylid over de grens zich aan zal storen. De internationale aantrekkingskracht zal moeten komen van de lange soul-uithalen van de zangeres en de charmante glimlach die ze daarbij desondanks ontplooit. Edsilia Rombley zong niet het beste liedje, maar straalde van iedereen wel de meeste glamour uit.

Haar zege zal bovendien worden beschouwd als een triomf voor het 'organiserend comité', dat voor het eerst de macht goeddeels uit handen had geven aan een groepje prominente platenproducenten. Tot dusver mochten zulke lieden alleen een liedje leveren, waarna de NOS er een vocalist(e) en een arrangement bij koos. Nu waren vier producers annex liedjesschrijvers uitgenodigd om een compleet pakket te leveren: liedje, en ook de uitvoerende(n) en het arrangement. Daarmee was de helft van de nummers gegarandeerd; verder gold nog het traditionele systeem van ongevraagde inzendingen. De hitleveranciers Van Tijn & Fluitsma behoorden tot de eerste groep.

Uit de tweede groep kwam het beste liedje, maar dat deed er niet meer toe. Wat zou het buitenland immers denken van de integere muzikantenuitstraling van Frédérique Spigt en het mooie, maar kansloze arrangement met accordeon en viool? Niemand zou er de schuurpapieren stem van tekstschrijver Huub van der Lubbe in herkennen, en niemand zou kunnen vaststellen hoe gaaf tekst en muziek hier samengaan - in tegenstelling tot wat in alle andere nummers, voor zo ver verstaanbaar, te horen was.

“Geen sprankje oorspronkelijkheid sprong uit de liedjes naar voren,” schreef de tv-recensent van het toenmalige Algemeen Handelsblad veertig jaar geleden, na de nationale finale voor het Eurovisie Songfestival van 1958. Wat dat betreft is er dus weinig veranderd. Nog steeds overheersen doorsnee, middelmaat en tekstuele bombast. “Ik kan niet leven met de waarheid / dus leef ik er maar omheen,” heette het in één van de nummers, bij een paar oververmoeide pianoakkoorden. “Een nieuwe eeuw, nieuwe tijden / zonder onrecht, zonder lijden,” zong een andere dame. Uitgesproken anders was alleen een gelegenheidsgroepje dat zonder aanwijsbare reden een hups nummertje volksmuziek wijdde aan de schepen van de VOC: “Heja-hop-a-hee, ze kwamen over zee / ze namen alles mee.” Maar dat zou in Birmingham wel èrg veel uitleg vergen.

Paul de Leeuw, zonder wie het Songfestival allang alle glans had verloren, trad weer op als de grote gangmaker van het festijn dat naar zijn zeggen plaats vond in “het pittoreske RAI-theater”. Linda de Mol was zo verstandig haar rol te beperken tot die van charmante assistente. De Leeuw lijkt wel de enige die weet welke toon hij voor zo'n gelegenheid moet aanslaan, als geen ander het midden houdend tussen hemel en aarde.

    • Henk van Gelder