Een 'moeilijk' feest

De lijdenstijd bestaat uit de passie-muziek van Johan Sebastian Bach op Palmzondag. Dat denken veel mensen, maar er is meer. Voor katholieken was het altijd een periode van vasten en onthouding en voor protestanten een aantal weken van preken over het lijden en sterven van Jezus Christus.

Al in 1619 schreef een synode van de gereformeerde kerk voor dat er op de zeven zondagen vóór Pasen moest worden gesproken over de 'passie des Heren'. Tegenwoordig, zo bleek vorig jaar uit verschillende onderzoeken, hebben heel wat Nederlanders geen flauw benul meer wat de christelijke feestdagen van Kerstmis, Pasen en Pinksteren behelzen. En nog veel minder weten velen wat zulke dagen als Palmzondag, Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag wel zouden inhouden.

Daar staat tegenover dat in protestants-christelijke kring de laatste jaren eerder meer dan minder aandacht wordt besteed aan de lijdenstijd en aan de aankleding en de geestelijke verdieping ervan. Vooral liturgische vieringen op de donderdag en vrijdag van de laatste week van de veertigdagentijd en een wake op de zaterdagavond of vroege zondagochtend die aan Pasen voorafgaat, staan sterk in de belangstelling. Tal van oude kerkelijke gebruiken en rituelen nemen op een aangepaste manier weer een plaats in in het geloofsleven en worden opnieuw 'uitgevonden' en gewaardeerd.

Volgens Jan de Jongh, studentenpastor in Twente en schrijver van het boek 'De honderd dagen rond Pasen'(1994/1997), is het meest vernieuwende misschien nog wel dat de dood en opstanding van Jezus van Nazareth tegenwoordig in direct verband worden gebracht met maatschappelijke en politieke ervaringen.

In bijna alle kerken is de lijdenstijd altijd al met tal van tradities omgeven. In de 'stille week' eindigden die met de herdenking van de instelling van de eucharistie of heilig avondmaal (op donderdag) en op vrijdag, de dag die als Jezus' sterfdag wordt gezien, met een avondmaalsviering die in de meeste kerken een zwart en loodzwaar karakter had. Feestelijk was het bepaald niet en dat is nu juist wat sommige jongeren zo tegen de borst stuit.

In brochures voor doopsgezinde, gereformeerde, hervormde en lutherse jongeren met een soort ganzenbord om hen door de lijdenstijd te leiden, heet het dat Pasen “zo'n moeilijk feest is. Het gaat over doodgaan, over pijn, over verraad en over geloof tegen beter weten in. Waarom niet een feest gevierd waarin idealen centraal staan in plaats van die onbegrijpelijke woorden over bloedvergieten en zonden. Feesten moeten vrolijk zijn en moed geven. Zo zou ik Pasen willen vieren”.

Maar helaas, zo gemakkelijk gaat het niet. In de passietijd gaat het vanouds niet om feestelijkheden maar om de hoofdvragen van het christelijke geloof. Wat betekenen zonde en kwaad, waarom is er lijden, wat is bevrijding, wat houdt verlossing in en vooral: bestaat er zoiets als 'opstanding' uit de dood of eeuwig leven.

In de interessante prekenbundel 'De dood die leven brengt' (1992) van de Duitse katholieke priester en diepte-psycholoog Eugen Drewermann, gaat het precies om al deze vragen. Een ander bruikbaar boekje is 'Bloeiend hout' (1997) van Sytze de Vries, de predikant van de hervormde Oude Kerk in Amsterdam. De Vries gaat voort met de eeuwenoude traditie om te mediteren bij de laatste zeven woorden van Jezus bij zijn executie. Maar anders dan men misschien zou vermoeden, zijn die kruiswoorden geen hoogstpersoonlijke hartekreten maar uitspraken waarin de oudtestamentische psalmen en profeten duidelijk te horen zijn.

In zijn paasbrief van dit jaar vertelt Martinus Muskens, bisschop van Breda, over een Westbrabantse boer en diens reactie op het woord 'licht'. Als het licht wordt, sta ik op, zei de man, en zo gaat Muskens' brief over licht en opstanding. Met kerst, aldus de bisschop, kwam het licht van Christus in de wereld, maar de duisternis heeft het niet aangenomen. Dat lijdensmotief, ingezet met Kerstmis, krijgt op Goede Vrijdag zijn voleinding. Of toch niet? Nee, want daar is op de ochtend van de derde dag die erop volgt plotseling de zon van de verrijzenis, het licht van de opstanding.

Echt gebeurd?, vraagt Muskens. Gebeurt dat nog, vandaag de dag? We zullen zien, zegt hij, want al staat Christus duizendmaal op uit het graf, maar niet in ons hart, dan hoeft het niet. Dan was zijn verrijzenis waardeloos.