De trein naar Wuhan

Toen ik in 1988 mijn laatste tentamen had gedaan, besloot ik een vriend op te zoeken die Chinees studeerde in Wuhan, de hoofdstad van China's provincie Hubei. Van China wist ik weinig. Ik kende alleen het literaire beeld dat Slauerhoff in zijn verhalen heeft geschetst. Verder was ik enigszins bekend met de leer van het taoïsme, de Chinese levensopvatting waarin het Lot een cruciale rol speelt.

In juli vloog ik naar Peking en vervolgde de reis vandaar met de trein. Op het station van Peking ontmoette ik een Finse student die ook op weg was naar Wuhan. Hij ging, net als de vriend die ik bezoeken wilde, een jaar Chinees studeren aan de universiteit van Wuhan. Wij namen dezelfde coupé, die wij deelden met vier in driedelig grijs gehulde Chinezen, voorzien van attachékoffers.

De Fin heette Ai. Hij had Chinees gestudeerd in Helsinki en verstond de taal goed. In gebrekkig Engels vertaalde hij voor mij de conversatie van onze coupégenoten, die over ons ging. Terwijl wij vol belangstelling en vrolijk lachend bekeken werden, besprak men uitvoerig onze uiterlijke kenmerken. Ons reusachtige postuur, maar ook het feit dat wij haar op onze armen hadden gaf onze reisgenoten aanleiding tot vrolijke bespiegelingen.

Tussen Peking en Wuhan liggen 1.200 kilometers en de treinreis zou volgens het schema van de Chinese spoorwegen 22 uur in beslag nemen. In China rijden de treinen niet harder dan 70 kilometer per uur. In werkelijkheid duurde de reis bijna twee dagen, omdat de trein te kampen had met technische problemen. Naast de geplande stops, op smoezelige, met kleurrijke banieren versierde stations van onbekende steden, die de verhalen van Slauerhoff in herinnering brachten, maakte de trein herhaaldelijk noodstops. De trein kwam dan abrupt, en met veel gekraak op een willekeurige plaats in het landschap tot stilstand. Het leek evenwel niemand te verbazen; deuren werden geopend en reizigers stapten uit om naast de trein wat te roken en een praatje te maken. Het duurde soms uren voordat de treinbeambten op hun fluitjes bliezen en iedereen weer instapte zodat wij verder konden.

Op de plaatsen waar de honderden meters lange trein tot stilstand kwam, werd rond de trein binnen enkele minuten een uitbundige cateringsindustrie op poten gezet. Het was een raadsel waar telkens de drank- en voedselverkopers vandaan kwamen. De keuze van de aangeboden waren was veel groter dan bij de Hollandse railtenders het geval is. Naast frisdranken, snoep en allerlei deegwaar, gebakken, gestoomd of in de vorm van noedels, was er zelf gestookte brandewijn te koop en bier. Verder werden ons behalve vis- en vleesschotels ook levende kippen, honden en egels aangeboden. Ik vroeg Ai naar de bedoelingen van de kopers van dergelijke levende waar. Hij gaf vrolijk te kennen dat men in China het voedsel graag levend koopt; dat geeft namelijk zekerheid over de versheid daarvan.

Onze wagon werd in het Engelse reisjargon, dat ook in China ingang heeft gevonden, een 'hard-sleeper' genoemd. Een couchettewagen zouden wij zeggen. Toen de avond viel, zochten we onze matras op. Omdat er maar één gordijn hing in onze coupé en mijn overbuurman dat naar zijn kant had geschoven, had ik die nacht vrij uitzicht op het voorbijtrekkende Chinese landschap. Onder de pikzwarte hemel, door oosterse sterren beschenen, lagen ontelbaar veel akkers en velden op het land verspreid als de mazen van een enorm net. Pas na één van de onvermijdelijke noodstops, viel ik in slaap.

Midden op de tweede dag van de reis stopte de trein in een miniscuul dorpje. Het was meer dan 30 graden in de coupé. Het open raam gaf weinig verkoeling. Voor het raam verscheen een oude man met een egel in een net. Hij hield het net omhoog zodat wij de egel goed konden zien, terwijl hij ons aangrijnsde. Via Ai informeerde ik naar de prijs van de egel. Het ging om vijftien renminbi (volksmunt), ongeveer vier gulden. De Chinezen in de coupé, die inmiddels doorhadden dat Ai hun taal verstond, zeiden dat wij moesten afdingen. Één van hen verdrong Ai bij het open raam en begon zeer rap te onderhandelen met de egelverkoper. Na enkele minuten was de koop gesloten. Ik betaalde zeven renminbi voor de egel, met het net. Ik bedankte mijn Chinese coupégenoot voor zijn bemiddeling, door zijn hand te schudden. Hij wees naar de egel en herhaalde steeds enige lettergrepen. Hij zegt: 'delicious!', vertaalde Ai vriendelijk.

Onze coupégenoten besteedden het volgende uur van de reis, waarin de trein weer was gaan rijden, aan het geven van tips voor het bereiden van de egel. Ai vertaalde alles geamuseerd voor mij. Het egeltje zat intussen stil in het net zijn lot af te wachten, geheel in overeenstemming met de leer van de Tao.

Bij de volgende noodstop vertelde ik Ai dat ik een wandelingetje buiten de trein ging maken. Deze bevond zich nu in een eindeloze groene vlakte. De zon scheen meedogenloos. Er waren zelfs geen voedselverkopers te bekennen. Ik liep het veld in tot ik bij een greppel kwam waarin enkele struiken groeiden. Ik keek of niemand mij zag en bevrijdde de egel uit het net. De egel schuifelde snel naar een plekje onder de struiken. Met een opgelucht gevoel liep ik terug naar de trein om mijn reis te vervolgen.