Zeventig procent-ridders

Twee gescheiden, alleenstaande lezeressen van rond de vijftig tobben over hun pensioen. Tijdens hun huwelijk bestierden zij de kinderen en het huishouden en kwamen amper aan betaald werk toe. De pensioenrechten van de voorgaande banen werden premievrij gemaakt en leveren straks weinig op.

Er bestaat weliswaar sinds 1 mei 1995 een wet die de verdeling van het ouderdomspensioen regelt bij scheiding, maar die wet laat ex-partners ruimte om tot andere financiële afspraken te komen, en kent geen terugwerkende kracht. Tussen 1981 en 1995 bestonden er andere regels, maar ook die boden ruimte voor alternatieve oplossingen. Daar komt bij dat kostwinners misschien niets voor hun oude dag opzij hebben gelegd: dus valt er niets te verdelen.

Beide dames zijn weer werk gaan zoeken, nadat de kinderen groot genoeg waren. Dat is geen eenvoudige opgaaf. De een slaagde daar beter in dan de ander. Beiden menen dat met het klimmen der jaren, wanneer ze tegen de zestig lopen, het nóg moeilijker zal zijn om iets te vinden. Hetgeen impliceert dat de inkomsten uit arbeid en/of uitkering tijdens de ruim vijf jaren voor de pensionering sterk terugvallen. Dan moet je misschien interen op je pensioenreserve of vermogen. Wat blijft er dan over aan pensioen, boven de AOW?

De twee schrijven enigszins schuldig over hun pensioentekort. Dat hoeft niet. In feite proberen adviseurs en verkopers van pensioenproducten iedereen zo'n schuldgevoel aan te praten. “Een alleenstaande of paar moet”, zeggen zij, “op 65 jaar, beschikken over een inkomen (AOW + aanvullend pensioen + lijfrenten) van 70 procent van het laatst verdiende inkomen. Wie daar niet aan komt, kampt met een ernstig probleem en moet (via ons) snel maatregelen nemen om het gat te dichten.”

Zij hebben makkelijk praten. Wie zelf de kost moet verdienen, kent als eerste zorg het vinden en houden van een baan tegen een redelijk loon. Daarbij komt de oude dag op de tweede, derde, of vierde plaats. Veel kleine, jonge bedrijven bieden geen pensioenregeling vergelijkbaar met de luxe verwenregelingen bij grote werkgevers. Met een beetje pech zit je na twintig jaar met een doos vol stukjes pensioen. Veel werkzame vrouwen leden daar extra onder, omdat zij tot voor kort in allerlei regelingen werden gediscrimineerd, los van het grote pensioengemis tijdens de kinderjaren.

De 70 procent-ridders slaan om twee redenen de plank mis. Die 70 procent norm gaat niet voor iedereen op. Elk financieel huishouden is immers anders. Bovendien gaat het niet om 70 procent van het laatst verdiende (dus het nu bekende) bruto inkomen, maar om het bedrag dat je straks netto overhoudt, het besteedbare inkomen.

Wie zijn (hypotheek)lasten tijdig vermindert, kan toe met een lager pensioeninkomen. De eerste belastingschijf voor 65-plussers is aanzienlijk lager dan die voor 65-minners. Wat het besteedbare inkomen ook opkrikt.

Een van de dames schrijft: “Of ik nu voldoende voor mijn oude dag bezit, weet ik niet.” Die opmerking getuigt van gemakzucht: een ander moet dat maar uitzoeken. Die vlieger gaat hier echter niet op, want alleen de betrokkene bepaalt hoeveel zij nodig denkt te hebben. Daarna bekijk je hoeveel er tot nu opgebouwd is, en vervolgens bereken je het weg te werken tekort.

Zij beschrijft haar oudedagsvoorzieningen als 'een lappendeken'. Dat mag je wel zeggen. De enige manier om daar orde in te scheppen, is een vrijblijvend persoonlijk financieel plan bij een bank of andere instelling te vragen. Die zijn gewend aan dat gevlooi en komen vanzelf met een passend advies. Ook de tweede lezeres, die onzeker is over haar situatie, kan zo handelen.

Ook op het volgende punt hebben de 70-procent ridders ongelijk. Niet alle voorzieningen hoeven te zijn ondergebracht in een pensioenregeling, lijfrente- of kapitaalverzekering. Wie beschikt over een vermogen(tje) (geld, aandelen, obligaties, huizen) kan daar op interen of leven van de opbrengsten.

De briefschrijfsters ontvangen binnenkort een erfenis van, veronderstellen we, circa 75 duizend gulden. Daar willen ze iets mee doen voor later, of om achter de hand houden voor de mogelijk magere jaren vlak voor de 65ste verjaardag.

Zet zo'n bedrag zoden aan de dijk? Tegen 4 procent spaarrente levert het na tien jaar 106 duizend gulden op, en tegen 6 procent 134 duizend. In vijftien jaar, op 65 jaar, levert een gemiddeld netto rendement van 8 procent (via een beleggingsfonds, bijvoorbeeld) 238 duizend gulden op. Twintig jaar interen op die reserve (tegen 8 procent) levert, bijna belastingvrij, een bedrag van 24 duizend gulden per jaar op.

Het is zaak om die erfenis te beleggen in overleg met een adviseur, en er geen cent van op te maken.