Vijf sterren èn zelfstandig; Kleine hogescholen tooien zich met kwaliteitskeurmerk

Hoezo zijn hbo-molochs onvermijdelijk? De zeven Dutch Quality Schools hebben voorkeur voor kleinschaligheid. Maar de samenwerking is wel dwingend.

Het keurmerk is wettelijk gedeponeerd. Niet elke hogeschool in Nederland mag zich zo maar profileren als een van de Dutch Quality Schools (DQS). Die eer is voorbehouden aan een select gezelschap van zeven hogescholen. “De menselijke maat staat bij ons voorop”, zegt Pierre Huilmand, voorzitter van het college van bestuur van de NHTV, de Nationale hogeschool voor toerisme en verkeer in Breda, en tevens eerste man in het bestuur van DQS.

Een jaar of vier geleden kwamen ze voor de eerste keer samen in Breda, de bestuursleden van enkele kleine hogescholen. De echte fusiegolf in het hoger beroepsonderwijs was over haar hoogtepunt heen, maar een verdere regionale samenvoeging was aan de orde van de dag. De vergaderde hogescholen zagen echter niets in aansluiting bij een regionale HBO-moloch. Huilmand: “Hogescholen als de NHTV zijn niet gebonden aan een regio, omdat ze de enige zijn die een bepaalde opleiding in Nederland verzorgen. Dat soort hogescholen heeft een nationaal of zelfs internationaal karakter. Ook andere hogescholen willen graag hun eigen karakter bewaren. De vraag is dan hoe je met behoud van zelfstandigheid toch krachten kunt bundelen met andere hogescholen.”

Een samenwerkingsverband met de naam Dutch Quality Schools vormde het antwoord op die vraag. Aanvankelijk tooiden vijf hogescholen zich met dat predikaat: de Internationale Agrarische Hogeschool Larenstein in Velp, de NHTV in Breda, de Technische Hogeschool Rijswijk, de Hotelschool Den Haag en de hogeschool De Horst in Driebergen. De Hogeschool voor Economische Studies (HES) in Rotterdam voegde zich vorig jaar bij het gezelschap, op 1 januari van dit jaar gevolgd door de Hogeschool Diedenoort: een opleiding voor Facilitaire Dienstverlening in Wageningen. De Rotterdamse HES is met zo'n 4.000 studenten de grootste hogeschool in het gezelschap. Een grens hanteert Dutch Quality Schools niet, maar duidelijk is wel dat een hogeschool met 10.000 studenten van goeden huize moet komen om aan te kunnen tonen dat 'de menselijke maat' in het onderwijsprogramma gewaarborgd is.

In voorzichtig gekozen bewoordingen zet DQS-voorzitter Huilmand vraagtekens bij de mammoet-hogescholen met meer dan 20.000 studenten die her en der in den lande zijn ontstaan. “Bij dergelijke structuren gaan vragen rond beheersbaarheid centraal staan. De beoogde reductie van de apparaatskosten wordt niet altijd gehaald. En het is ook maar de vraag of die clustering ook leidt tot inhoudelijke voordelen.” Huilmand wil echter niet de indruk wekken dat zijn naar kwaliteit strevende gezelschap kleinschaligheid ziet als een conditio sine qua non. “Klein betekent natuurlijk niet a priori beter.”

Maar waarin onderscheiden de betrokken hogescholen zich dan wel? Huilmand komt met een lijstje van vijf speerpunten op de proppen, waaraan de deelnemende hogescholen zich gecommitteerd hebben. Zorg voor kwaliteit, ondernemend leren met gebruikmaking van informatie- en communicatietechnologie, persoonlijke aandacht voor studenten en docenten, een hechte relatie met het werkveld en aandacht voor internationalisering.

Dat klinkt fraai, maar vraag een willekeurige (grote) hogeschool in Nederland waar ze voor staat, en dezelfde begrippen zullen over tafel rollen. DQS laat het volgens Huilmand echter niet alleen bij fraaie woorden. “Wij spreken elkaar ook aan op afspraken. Het is geen vrijblijvende aangelegenheid. Elk van de hogescholen moet bereid zijn om haar autonomie in te perken. Op sommige terreinen moet DQS afdwingbaar beleid kunnen voeren. Als het een los samenwerkingsverband wordt, gaat het succes te veel afhangen van personen.”

Dat het niet louter om loze kreten gaat, blijkt volgens Huilmand wel uit het feit dat hogeschool De Horst in Driebergen dit studiejaar opnieuw de eerste plaats verwierf op de ranglijst van beste hogescholen in de Keuzegids Hoger Onderwijs. Een jaar eerder stond De Horst ook al bovenaan, samen met de eveneens bij DQS aangesloten TH Rijswijk. De laatste instelling sleepte ook al de Hoger Onderwijsprijs in de wacht.

Volgens Huilmand groeit het aantal gezamenlijke initiatieven die ervoor moeten zorgen dat de scholen elkaar verder helpen. Zo stonden de hogescholen met een gezamenlijke stand op Studiebeurs '97, de grote onderwijsbeurs in Nederland. En er zijn veel projecten waar docenten van de verschillende hogescholen aan deelnemen. Daardoor kunnen ze tevens bij elkaar 'over de heg' kijken. Uiteindelijk komt er een intensief trainingsprogramma van minimaal een jaar voor docenten van de DQS-hogescholen, dat bestaat uit trainingen en workshops. Verder volgen sommige medewerkers van de scholen de opleiding Master of Innovation. Dat is een initiatief van DQS, dat het innoverend denken van de cursisten moet vergroten.

Die drang tot innovatie zullen de hogescholen hard nodig hebben, denkt Huilmand. “We zitten in een tijd waarin de studentenpopulatie niet meer groeit en we over minder middelen beschikken. Dat vereist een omslag in het denken, bij het management en bij de docenten. Die zullen meer coach moeten worden, kennis moeten hebben van communicatietechnologie. Een docent verkeerskunde moet weten wat er in het buitenland speelt.” Die blik op het buitenland geldt ook de werving van studenten en begeleiding van studenten die over de grens stage lopen. Samenwerking op dat terrein kan tot aanzienlijk lagere kosten leiden.

DQS hanteert geen vastomlijnd programma van eisen waar potentiële toetreders aan moeten voldoen voordat ze zich het keurmerk mogen dragen. Volgens directeur Ellen Bos van DQS kunnen visitatierapporten een rol spelen, maar is het onderlinge contact tussen de kleinere hogescholen van groter belang. “Je kent elkaar. Voordat een school wordt toegelaten weet je wel een beetje wat je aan elkaar hebt. Maar duidelijk is wel dat ze aan de vijf DQS-kenmerken moeten voldoen. We werken nu aan een toetsingssysteem waardoor de kwaliteitseisen ook meetbaar worden. Er kunnen ook sancties aan verbonden worden als hogescholen zich niet aan de afspraken houden.” De bij DQS aangesloten hogescholen hebben nog geen formeel besluit genomen over verdere expansie, mogelijk op Europese schaal. Over de te varen koers moeten volgens Huilmand binnenkort wel spijkers met koppen worden geslagen.

De pretenties van de bij DQS aangesloten hogescholen werden in het begin nog wel eens meesmuilend aanschouwd, weet Huilmand. Maar de scepsis die er leefde in het hoger beroepsonderwijs is volgens hem omgeslagen in interesse. Binnen de HBO-raad, de vereniging van hogescholen, op het ministerie in Zoetermeer en in het bedrijfsleven bemerkt hij steeds meer belangstelling.

Ook Herman Bierma, directeur van de faculteit Economie en Management van de Christelijke Hogeschool Noord-Nederland, volgt Dutch Quality Schools met belangstelling. Maar hij is niet bang dat de opleidingen aan zijn faculteit, waaronder de Hotel Management School Leeuwarden, te boek komen te staan als inferieur omdat ze niet het beeldmerk van de DQS dragen. “Ik vind het prima dat ze zich zo presenteren. Als de hogescholen voordeel hebben van samenwerking, dan moeten ze dat doen. Natuurlijk bestaat er enige concurrentie tussen de hotelscholen, maar dat houdt de zaak levendig. We hebben ons als hotelscholen jaren geleden al verenigd in een stichting om onze belangen beter te kunnen behartigen. Dat gaat prima. Uit de signalen die ik krijg over de Dutch Quality Schools, begrijp ik dat ze zich richten op het buitenland. Wij hebben hier een Engelstalige opleiding en die groeit alleen maar, dus wij hebben er geen last van.”

Het feit dat de Haagse Hotelschool zelfstandig is en de Hotel Management School Leeuwarden deel uitmaakt van een hogeschool met andere opleidingen, maakt voor de kwaliteit van de studies niet uit, aldus Bierma. “Wij moeten hier beleid ontwikkelen binnen een grotere organisatie. Wat dat betreft ben ik wel eens jaloers op mijn collega's in Den Haag. Maar voor het contact tussen docent en student maakt dat niets uit.”

De samenwerking tussen de DQS-hogescholen verliep tot dusverre vooral op het niveau van bestuurders en docenten. Maar de 16.000 studenten die een opleiding volgen aan een van de Dutch Quality Schools moeten de komende tijd ook de vruchten plukken van de gezamenlijke inspanningen, aldus Huilmand. Hij bespeurt bij sommige studenten een zekere trots op het feit dat hun school deel uitmaakt van DQS. Hij noemt het voorbeeld van studenten van de hogeschool Diedenoort, die op de studiebeurs vorig jaar enigszins verbolgen waren over het feit dat hun instelling niet werd genoemd in het rijtje van Dutch Quality Schools. Diedenoort was toen officieel nog geen lid.

Die trots is niet te bespeuren bij twee vierdejaars studentes Toerisme en Recreatie op een bankje in de hal van de NHTV. “Wat zegt u? Dutch Quality Schools? Nee, daar hebben wij nog nooit van gehoord.” Op zichzelf zijn ze wel tevreden met hun opleiding. De zelfstandigheid van hun school heeft zeker voordelen, denken ze. Maar het kleinschalige karakter staat door het groeiend aantal studenten wel onder druk. “Het wordt steeds moeilijker om een vrije computer te vinden.”