Vakidioten

ALS BEGINNEND leraar Nederlands zag ik me indertijd geplaatst voor de vraag hoe aandacht te besteden aan poëzie. Hoe pakte je zoiets aan? De oudere collega die ik om advies vroeg, deed mij zijn manier van werken als oplossing aan de hand. Ik beperk me, zo vertelde hij mij, tot het sonnet.

Je kunt de leerlingen dan vragen stellen over het rijmschema, dat laten vergelijken met wat gangbaar is, je kunt ze opdragen de caesuur aan te wijzen, waar die in dit geval ligt en waar dat gewoonlijk het geval is, wijzen op de verschillen met het Shakespeare-sonnet, kortom, die dichtvorm kent zoveel technische kanten dat het niet moeilijk is daar les in te geven.

De inhoud van het onderwijs wordt niet bepaald door de vraag wat wenselijk is, maar door de mogelijkheid er een voor iedereen werkbare didactiek voor te ontwikkelen. Maak van je vak een soort rekenkunde of zorg ervoor dat ze een en ander moeten benoemen in termen die je kunt beoordelen als goed of fout, en iedereen kan de was doen. In Amerika noemen ze zo'n aanpak 'teacher proof'.

Wat zou nu de doelstelling zijn van het vak economie op de middelbare school? Ik doe een gok: dat leerlingen in staat zijn het economisch nieuws te volgen en dus, na een middelbare-schoolopleiding met economie in het pakket, in staat zijn het economisch katern van dit dagblad te volgen.

Vanuit mijn kwaliteit van vader van een middelbare scholier heb ik me de afgelopen krokusvakantie een beeld kunnen vormen van de vraag in hoeverre dat vak daaraan beantwoordt. Ik moet zeggen, daar ben ik allesbehalve vrolijk van geworden. Zoals de slechte leraar Nederlands poëzie reduceert tot formele kwaliteiten, zo hebben de programmaontwikkelaars van economie dat vak gereduceerd tot abstracties en formules. Voor er ook maar sprake kan zijn van enig begrip, wordt de nieuw geleerde term ondergebracht in een formule en wordt de leerlingen voorgehouden hoe je daarmee binnen de Keynesiaanse theorie kunt goochelen. In plaats van leerlingen inzicht te verschaffen in begrippen, ervoor te zorgen dat die begrippen gaan leven, dat ze zich er iets bij kunnen voorstellen, om daarna, helemaal aan het slot te vertellen dat er ook mensen zijn die met die begrippen rekenen, dat dit allemaal natuurlijk boterzacht is omdat lang niet alle relevante factoren zijn te kwalificeren, dat we niet op een eiland leven etcetera, maar dat men natuurlijk wel voor sommige doeleinden graag wil bezien of het mogelijk is je aan een voorspelling te wagen. En dan geef je leerlingen wat voorbeelden van zo'n rekenkundige exercitie. Maar om nog eens te benadrukken hoe speculatief dit alles is, behandel je artikelen waarin Flip de Kam kritiek uit op voorspellingen van het Centraal Planbureau of waarin Bomhof uitlegt waarom het volgens hem anders en beter kan. De manier waarop men het vak nu heeft verabstraheerd staat ervoor garant dat je uitstekende cijfers kunt halen voor economie zonder enig benul van economie te hebben. Dat is de ene kant van zo'n aanpak.

De andere kant is dat het vak economie door veel potentiële kandidaten wordt gemeden. Dat is niet goed voor een maatschappij waarin belangrijke beslissingen veelal op grond van economische overwegingen worden genomen. De middelbare school, bedoeld ter voorbereiding op de maatschappij, zou moeten zorgen voor een startcompetentie, het vermogen voor jongeren om de draad van het feuilleton van de economische informatievoorziening op te pakken. Als wij als maatschappij dit belangrijk vinden, moeten we de invulling van het schoolvak economie niet overlaten aan vakidioten die de pretentie hebben dat hun vak een 'echt', exact vak zou zijn.