Toen de Peel nog Peel was

Laat ik bij het begin beginnen - een losse opmerking van mijn oom in Heerlen. “Moeder was veel ziek”, zei hij, “en in '46 huurde ze samen met andere mensen uit Velp een taxi om naar dokter Wiegersma in Deurne te gaan.”

Ik was stomverbaasd. Daar had je de wereld van opoe, altijd zuchtend en steunend, en daar had je de wereld van Hendrik Wiegersma, de schilder van de prachtig verstilde landschappen die ik eens was tegengekomen in het Singer in Laren, de man ook die Antoon Coolen aan de legendarische dokter in Dorp aan de rivier had geholpen. Twee totaal gescheiden werelden waartussen hier opeens een draadje werd gespannen.

En nu zit ik met een paar vragen bij Pieter Wiegersma, een zoon van die dokter. In 1946, toen mijn grootmoeder met haar buik bij zijn vader kwam, was hij zesentwintig.

In september '44, toen Deurne bevrijd werd, had hij als tolk dienst genomen bij de Engelsen. Het volgende voorjaar trokken ze over Enschede de Noord-Duitse Laagvlakte in. Rheine, Hannover, Braunschweig, Fallersleben. Bij de Volkswagenfabrieken lagen zestig Poolse dwangarbeiders dood op de parkeerplaats, maar het bedrijf zelf was nog intact en kort daarop werden er weer auto's geproduceerd, bestelwagentjes voor de posterijen, knalrood.

Duitsland was uitgeknepen, de Wehrmacht opgerold. De geallieerden uit het westen kwamen oog in oog te staan met die uit het oosten, Engelsen tegenover Russen. Dag in dag uit werd er onderhandeld over de demarcatielijn. Of die links of rechts langs een toevallige eik moest lopen, voor of achter een simpel weilandje (dat niemand wou hebben) of een strookje bos (dat iedereen wou hebben). Niet dat de stellingen al werden betrokken voor de volgende oorlog. Nee, zo kijken soldaten nu eenmaal naar een landschap, met hun soldateninstinct.

Zo, meter voor meter, werd er iets dichtgetrokken dat weldra 'het ijzeren gordijn' zou worden genoemd, en dat veertig jaar lang loodzwaar zou blijven hangen. Pieter Wiegersma zat er bovenop. Hij herinnert zich levendig hoeveel drank daarbij is gevloeid, gin aan de ene kant en wodka aan de andere.

In een nieuw-verdeeld Europa keerde hij terug naar Deurne, naar Flossy.

Ze waren in '42 getrouwd. Eerst woonden ze in het Klein Kasteel van baron De Smeth, die zelf het Groot Kasteel bewoonde. Toen het Groot in '44 verwoest werd, had de baron het Klein voor zichzelf nodig. Toen waren ze ingetrokken in het riante woonhuis van Pieters ouders, De Wieger, nu een museum.

'46 - dat was het jaar van feesten die twee volle dagen aanhielden. Het jaar dat je weer naar Amsterdam kon, naar een tentoonstelling of de schouwburg, een stuk van Franz Werfel met Cees Laseur en Mary Dresselhuys. En in september gingen ze met z'n tweetjes naar Zwitserland, Ascona. Deviezen mochten het land niet uit, dus verborgen ze het nodige papiergeld in een dameshoedje en een tandpastatube. In Roosendaal werd Flossy er door de douane feilloos uitgepikt. Dikke buik, waarschijnlijk smokkelwaar. Ze moest zich uitkleden. Ze was zwanger van hun derde.

En Ascona moet je je voorstellen als een vissersdorpje aan een doodstil meer in de bergen. Daar had je de Nelli-bar. Daar troffen ze op een avond Jan Roland Holst aan.

'46 - toen verzóóp Pieter Wiegersma bijna in het werk. Glazenier was hij en de opdrachten stroomden binnen. Kerken, raadhuizen, villa's - overal zaten ze te springen om glas-in-lood. Na verloop van tijd had hij een wachtlijst van vijf jaar. Dus dat was meteen goed verdienen ook.

En in '46 bouwden ze een huisje in de boomgaard tegenover De Wieger. Bakstenen waren er niet, want er was geen steenkool voor de steenfabrieken. Toen kwamen ze op het idee stenen van leem te maken. Dus je zoekt heel Brabant af naar leem van de gewenste kwaliteit en dat vind je dan uitgerekend in Deurne, vlak naast de deur.

Het leem wordt vermalen in een voedermolen voor varkensvoer. Daarna wordt het in mallen gestort en langdurig aangestampt (zoals je tegenwoordig nog weleens vrouwen ziet staan stampen in een filmpje over Afrika). En ten slotte om te drogen in de zon gezet. Tweeduizend stenen van 25 bij 25 bij 50 centimeter, en die werden in de breedte gestapeld. Dus muren van een halve meter dik.

“Best een charmant huisje”, zegt Pieter Wiegersma. “De eerste permanente woning die na de oorlog gereedkwam in heel Nederland, en het staat er nog.”

Ondertussen waren ze getuige van de toeloop voor het spreekuur van zijn vader.

“Ja”, zeg ik, “was het normaal dat mensen helemaal uit Velp kwamen om uw vader te raadplegen?”

“Uit Velp”, herhaalt hij vrolijk. “Uit Zweden kwamen ze. Uit Canada. Uit Australië!”

Vijftig, zestig mensen per dag. En later, toen een van Pieters broers de dorpspraktijk overnam en zijn vader zich geheel aan consultaties kon wijden, werden het er nog veel meer. Honderd, honderdvijftig. Dagelijks. De wachtkamer tjokvol, en dan zaten er ook nog in het café aan de andere kant van de weg.

's Nachts werkte Hendrik Wiegersma in zijn atelier. Om een uur of drie ging hij als kunstschilder naar bed en om halfzeven stond hij als arts weer op. Tot een uur of zeven hield de politie toezicht op de mensen die samendromden bij de poort. En dan mochten ze het terrein op, op een holletje naar binnen om een nummertje te trekken. Op zeker moment bleek dat er nummertjes zwart werden verhandeld op het station.

Pieter: “Niks geen hocus-pocus. Mijn vader was geen wonderdokter. Gewoon een hele goeie arts.”

Flossy: “Hij had ogen, die gingen dwars door je heen. Je kreeg het gevoel: die man ziet wat ik heb.”

Pieter: “Hij kon mensen overtuigen.”

In die tijd verbruikte Hendrik Wiegersma twee auto's per jaar. Dat zegt iets over zijn stijl van rijden. Maar dat zegt ook iets over de conditie van de wegen in de Peel.

In die tijd wandelde Pieter Wiegersma iedere morgen van het huisje in de tuin van zijn vader naar zijn atelier in een vleugel van het Klein Kasteel van baron De Smeth. Een halfuurtje lopen, een kilometer of twee. En dan kwam je langs twee zeventiende-eeuwse wevershuisjes. Dan kwam je langs zestien boerderijen. Koeien, varkens, moestuintjes, rogge, haver, boekweit. En je kwam altijd wel iemand tegen om een praatje mee te maken, want iederéén liep door het dorp.

“De Peel was nog Peel”, zegt hij. “En nu ís er geen Peel meer.”