Time Magazine viert zijn 75-jarige bestaan; Schrijven als God

Op 3 maart 1923 richtten twee studenten het Amerikaanse weekblad Time op. Het blad ontwikkelde zicht tot een journalistiek instituut en heeft nu een oplage van 4,5 miljoen. Friso Endt, oud-redacteur van deze krant, werkte van 1958 tot en met 1973 voor Time Magazine in Amsterdam en Brussel. Herinneringen aan het leven van een super-stringer. 'Alles kan bij ons.'

Vlak voor kerst, in 1960, ging ik voor de eerste keer in mijn leven naar New York om op het hoofdkwartier van het Time-Life-concern 'gehersenspoeld' te worden. Mijn vader, een oude Amsterdamse advocaat, kwam me op Schiphol uitwuiven, want de zeventien uur vergende vlucht met een propellervliegtuig werd beschouwd als een wereldreis. En je was een wereldburger als je correspondent (zonder enige arbeidsovereenkomst trouwens) van Time was. Dat vonden ze op het hoofdkwartier in New York ook: Amerika had de oorlog gewonnen, stond op het toppunt van zijn macht, John F. Kennedy was tot president gekozen. En Time was het machtigste blad van de wereld. Daarom betaalden ze hun 'super-stringers' - en daar mocht ik bij horen - een bedrag van 25 dollar per dag. Daarvan “roken wij de grote sigaren”, zei Bob Kroon, een landgenoot die de correspondent in Genève was. De dollar stond toen op 3,20 gulden.

Ik mocht in New York op de achterste stoelenrij bij de vergadering voor de cover story zijn. Dat zou in verband met de kerst Bach worden, en daarvoor hadden we vanuit de gehele wereld artikelen geleverd over Johann Sebastian Bach. Ik ook. Van die duizenden woorden bakte de coverschrijver, geassisteerd door enkele researchers (altijd meisjes) zijn cover story, die hij op advies (is bevel) van zijn senior editor nog eens drie- tot viermaal herschreef. Het is al 75 jaar een wekelijks terugkerend ritueel dat meestal drie dagen en twee nachten in beslag neemt. De kleine stringer (pardon: super-stringer) in Amsterdam mocht al heel blij zijn als hij drie zinnetjes of feitjes van zijn verhaal zou terugvinden. Alles gebeurde anoniem, naamloos!

De coververgadering van toen werd onderbroken, omdat er iemand binnenholde met de mededeling dat Kennedy zoëven Dean Rusk als zijn minister van Buitenlandse Zaken benoemd had. “So we drop Bach”, zei de voorzitter, managing editor Henri Grunwald, droogjes. Grunwald, een in Wenen geboren Oostenrijker, die voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika was gegaan. Later is Henri editor en editor-in-chief geworden. Hij heeft me verteld dat hij als hoofdredacteur van Time van donderdagavond tot en met zaterdagavond - hij sliep dan op een veldbed in zijn redactiekantoor - met het rode potlood door alle teksten ging, en soms ook de teksten van correspondenten, die de schrijver in New York niet van belang had gevonden. “Want ik ben verantwoordelijk”, zei hij.

Zo vertelde hij ook dat op een zondagavond in 1967, toen Israel de Jom Kippoer-oorlog van zes dagen ontketende, hij persoonlijk zijn macht gebruikte om de persen te stoppen en in vier uur een nieuw omslagverhaal liet schrijven. Miljoenen exemplaren van Time zijn toen naar de papiermolen gegaan, het besluit kostte ook miljoenen dollars. “Mijn verantwoording”, zei hij. “Als het hun niet bevalt kunnen ze me ontslaan.” In Nederland had ik dat nooit meegemaakt: daar heeft de directie het laatste woord bij het stopzetten van de pers.

Grunwald kwam uit het arsenaal van uit Duitsland, Hongarije, Oostenrijk en Tsjechoslowakije gevluchte - meest joodse - journalisten en fotografen, waar Time's oprichter Henri Luce slim uit heeft geput. Zeer bekwame, intelligente mensen. Zo kreeg Time de beste redacteuren en Life (dat in 1936 werd geboren), de allerbeste fotografen van de wereld. Ze vonden dat ook van zichzelf en ze wisten mij te overtuigen. Zo leerde ik er dat voor een Time-Life-correspondent het antwoord 'neen' - als er een vraaggesprek werd aangevraagd - niet werd geaccepteerd. Met die attitude ging ik ook Nederland te lijf: “Neen? Dat kan niet!” Het werkte. Ongelofelijk! Prins Bernhard, Jelle Zijlstra, kardinaal Alfrink, Joop den Uyl, Ruud Lubbers, Wim Kok, ze máákten tijd, want die is er natuurlijk altijd ergens.

Voor Life maakten we in de jaren zestig een 'foto-essay' over de Japanse en Chinese kamers in Paleis Huis ten Bosch, omdat 150 jaar eerder de Prins van Oranje er de eerste Amerikaanse ambassadeur John Adams had ontvangen. In 1788 was Adams met zijn vrouw Abigail naar Lissabon gezeild en vervolgens per karos door Spanje en Frankrijk naar de Nederlanden gedraafd. In Amsterdam kwam hij bij de rijke bankiers geld lenen voor de oorlog tegen de Britten. Abigail had een dagboek bijgehouden. Aan de hand daarvan ensceneerden wij (met de fotograaf Walter Sanders van Life) een soort toneel in de Japanse kamer, met een tafel op de voorgrond waar een hoed en een stok uit die tijd (geleend van de toneelkenner en -speler Cruys Voorbergh) op lagen, met een lakei (in een lakeienpak uit die tijd, verkregen uit het Koninklijk Huis Archief) die met een brandende kaars in de hand de deur naar de Chinese kamer openhield. Achter die deur kon de lezer dan veronderstellen dat de Prins van Oranje audiëntie verleende aan de eigenaar van hoed en stok, ambassadeur John Adams. Alles werd uitgelicht met schijnwerpers van Cinetone Studio's, de hele operatie kostte tienduizenden guldens. Maar de 'essay' kwam er wel in. “Vind je dat veel geld”, vroeg de baas van Life in Parijs. “De redactie van Life maakt niet meer dan tien procent van het totale budget uit. Alles kan bij ons.”

Eens per maand ging ik naar het Parijse Bureau, gevestigd in een voormalig paleis met riant uitzicht over de Place de la Concorde. De bureauchef, Curtis Prendergast, reed in een limousine met chauffeur, en was na de ambassadeur de machtigste Amerikaan in Parijs. We werkten er voor Time (met vier edities), Life (met vijf edities), Fortune (het zakenblad), People Magazine (de bekende beroemdheden), Sports Illustrated, én Time-Life Books, de boekenuitgeverij, waar deze boeken precies zo in elkaar geregisseerd werden als met de magazines gebeurde. In Parijs mochten wij kleine stringers dan de redactievergaderingen bijwonen waar suggesties voor de stories van déze week bedacht werden.

Originele ideeën vlogen over de tafel, en alle correspondenten schreven als God. In 1966 moest voor Time en Life het huwelijk van Beatrix en Claus verslagen worden. We hadden Life's beste fotograaf Carlo Bavagnoli in de Westerkerk, we hadden vijf Franse en Amerikaanse fotografen langs de route waar we wisten dat de rookbommen zouden ontploffen. En we hadden ook nog vier Nederlandse fotografen bij de hand, onder wie Eddie Posthuma de Boer.

In Krasnapolsky was een hoekkamer gehuurd met uitzicht op het Paleis. Toen de rookbommen ontploften op de Dam drongen drie fotografen de kamer binnen, sloegen met hun lange telelenzen de ruiten stuk, omdat ze vonden geen tijd te hebben die ramen gewoon te openen. We verscheepten vierhonderd rollen, Life bleef open en een helikopter bracht de filmrolletjes van Kennedy Airport naar hartje Manhattan. Op dat ogenblik braken de gigantische rellen uit in de zwarte wijk Watts in Los Angeles. “That's a better riot”, vond Life's managing editor Ed Thomson. Wég de productie uit Amsterdam. De schade in de kamer van Kras beliep tienduizend gulden, want de glassplinters zaten overal in het tapijt.

Eens in de twee jaar ging ik naar New York om bij te tanken. Ik leerde dat er zure mannen bij Time zaten en lolbroeken bij Life. Henri Luce en Briton Haddens formule om het hele blad in één stijl te doen herschrijven (aanvankelijk schreven ze gewoon de New York Times en de Washington Post over, maar dan wel in de samengebalde Time-stijl) eisten van hun redacteuren een soort robotbestaan. De briljantste schrijvers, die voor veel geld ingehuurd werden, mochten alleen denken zoals Henri Luce dacht. Sommigen raakten aan de drank, een enkeling pleegde zelfmoord. Een berucht voorbeeld is de Vietnam-oorlog, die in New York herschreven werd zoals Luce vond dat het zou moeten zijn. Strobe Talbott - nu onderminister van Buitenlandse Zaken onder Madeleine Albright - nam daarom ontslag als bureauchef in Saigon.

Bij Life was de assistente van de hoofdredacteur de Nederlandse Jet Roosenburg, ex-verzetstrijdster, Nacht und Nebel-gevangene, en na de oorlog door Wilhelmina onderscheiden met onze hoogste onderscheiding, de Militaire Willemsorde. Over haar wandeling naar huis door het puin van naoorlogs Duitsland vanuit de gevangenis in Oost-Duitsland schreef zij, aangemoedigd en geholpen door haar redactiecollega's bij Life, een bestseller: And the Walls Came Tumbling Down (En de muren vielen om). Jet zei: “Er wordt nooit iemand ontslagen bij Henri Luce, je néémt ontslag. Dat gaat zo: je komt terug van vakantie en er zit een ander aan je bureau. Je gaat dan naar je chef om te horen wat er aan de hand is. Die zegt dan: 'Henri Luce heeft besloten dat jij de geschiedenis van Time Magazine moet gaan schrijven. Dat moet je doen in kamer 580.' Dat is dan een kamer zonder ramen, met een telefoon en een leeg bureau. Wij noemen die kamer Buchenwald. En verder geen werk, maar wel gewoon je salaris. Na drie maanden nam je ontslag, en dat is dan ook de bedoeling. Waarom wordt nooit verteld.”

Henri Luce stierf in 1967. Na zijn dood zeiden oudere redacteuren: “Nu worden de boekhouders de baas, Luce had hart voor de zaak, dat hebben die geldjongens niet.” De tijden veranderden, televisie werd de grote geldmaker, Life ging eraan kapot. Bladen als Time trachten zich aan te passen. De anonimiteit is verdwenen, artikelen worden nu ondertekend. Maar de journalistieke topkwaliteit is verdampt. De macht is verbrokkeld. De wereld van die journalistiek is een wereld van hot spots geworden, brandhaarden zoals Jeruzalem, Moskou, Peking, Sarajevo, Washington. De tv-ploegen hollen er heen met in hun kielzog de Time's en Newsweeks en de dagbladen van deze wereld, meestal maar voor een paar dagen. Voor landen als Nederland is in die bladen nauwelijks plaats. De show is over.

In 1973 speelde ik een hoofdrol in een van de weinige coverstories van Nederland: 'Johan Cruyff, en voetbal in Europa'. Een maand later was ik ontslagen. “Too many stories in the magazine”, legde mijn nieuwe baas in Parijs dat besluit uit. “De boekhouders vinden je te duur geworden.” De waarheid was dat hij een jaar eerder een groot en exclusief vraaggesprek van mij met kardinaal Alfrink had herschreven en van zijn eigen naam had voorzien. Ik klaagde daarover in New York, en hij kreeg een forse reprimande. Hij zei: “Jou krijg ik nog wel, want je bent naïef en dom.” Zo kwam ik in 1974 bij NRC Handelsblad. Met Newsweek onder mijn arm, want daar was ik 24 uur na mijn ontslag ook al weer ingehuurd.

    • Friso Endt