Tepels, veters, aardappels

TERUG NAAR de lezer, om te beginnen met de tepels van vorige week. Een technisch onderlegde briefschrijver wijst erop dat niet het gemiddeld aantal jongen dat per moederzoogdier wordt geboren (de gemiddelde worpgrootte) bepalend is voor het risico dat de natuur neemt bij de keuze van een bepaald aantal tepels voor het moederdier, maar de standaardafwijking of variantie in de worpgrootte.

De gemiddelde worpgrootte van geit of schaap is misschien 1,8 maar als in tien procent van de gevallen drielingen ter wereld komen (en ter compensatie in ruim tien procent van de gevallen eenlingen), dan wordt met de standaard twee spenen toch een flink risico genomen. Varkenskenners in Ede hadden daar al op gewezen maar de ruimte ontbrak om erop in te gaan. Achteraf schoot te binnen dat het verhoudingsgewijs grote surplus aan spenen bij de koe misschien ook een fok-artefact is. Het valt niet uit te sluiten dat rundveehouders door de eeuwen heen vooral doorfokten met koeien die eenlingen baarden (omdat tweelingen vaak complicaties opleveren). Wie weet had het wilde rund grotere worpen.

De beschouwing over schoenveters van 14 februari heeft een kleinkind van een schoenwinkelier licht verdriet gedaan en leverde, uit andere hoek, een nieuwe woudloperstruc op. Een ingenieur uit Rotterdam geeft het volgende rijgrecept: knoop het ene uiteinde van de veter vast aan een van de bovenste gaatjes in de schoen en vlecht de veter vervolgens zigzaggend naar beneden tot het laatste gaatje. Stop het overschietende eind, zonder verder strikken of knopen, weg tussen schoen en sok. In de meeste gevallen blijft de schoen goed dichtzitten en in àlle gevallen wordt verhinderd dat regen, dauw of ander natuurvocht de knoop zo nat maakt dat-ie muurvast komt te zitten.

Op 7 februari werd in een winterstukje aandacht gevraagd voor de waarneming dat schaatsers op ijsbanen zonder uitzondering tegen de zon in ('linksom') rijden. Komt dat omdat het pootje-over naar rechts te moeilijk is, was de vraag. Veel lezers dachten dat het anders zat, zij kwamen met priesters en processies en nog veel meer. Het hart zit links en bij linksom lopen is het van de vijand afgekeerd, enzovoort. Maar het lijkt inderdaad heel simpel te zijn. Een linkshandige en kennelijk ook linksvoetige lezer bericht dat hij van nature geneigd is rechtsom te gaan op ijsbanen. Is hij de eerste op de baan, dan doet-ie dat ook, tot hij wordt weggevloekt door de rechtshandigen. Blijft de vraag waarom ook het hardlopen altijd linksom gaat.

Van diverse zijden is bevestigd dat aardappels die met de zuurkool worden meegekookt (24/1) langer hard blijven dan aardappels die afzonderlijk worden gaargemaakt. Een lezer in Amerongen ziet een directe invloed van de zuurgraad (pH) op de waterdoorlatendheid van de aardappelcelwand. Hoe zuurder het milieu hoe moeilijker de celwand water laat passeren, poneert hij. En zonder voldoende wateropname kan het zetmeel in de zetmeelkorrels niet verstijfselen. Hij voegt eraan toe dat melkzuur (het zuur dat domineert in zuurkool) een sterker zuur is dan azijnzur. Het was dus onjuist om de garingsproeven met azijnzuur te doen.

Ik miste iets in dat stukje over aardappels, schrijft een lezer in Den Haag. Namelijk het zout. Ik neem aan dat er geen zout aan het kookwater werd toegevoegd en de kans is groot dat dat de uitkomst van de proeven heeft beïnvloed. Zout maakt het water immers minder zuur?

Dat laatste, lezer, is niet wat je op grond van de samenstelling van zout (NaCl) verwachten zou. Toch heeft u gelijk: wie zijn vochtige radijsjes in vers nezozout doopt ziet het radijsrood subiet naar blauw verkleuren. Sap uit een appelschil brengt de kleur (waarschijnlijk een anthocyaan) weer terug naar felrood. Het gewone tafelzout is dus inderdaad enigszins alkalisch. Waarschijnlijk is het antiklontermiddel (een carbonaat of fosfaat) de oorzaak. Of dat in de garing een grote rol speelt blijft te bezien.

Op 27 december werd hier gehoond op de laatste Nationale Wetenschapsquiz van de NWO. De quizmaster had gevraagd of een zeilboot die zich bij windstil weer via een pijp door een ventilator lucht in het zeil laat blazen vooruit of achteruit gaat of misschien stil blijft liggen. 'De boot gaat vooruit', bleek het goede antwoord. Van AW-wege is betoogd dat dat had moeten zijn: de boot kàn vooruit gaan. Het is geen kwestie van moeten maar van kunnen, ook bij een overigens doelmatig ingericht windschip.

Steun kwam er van dr. G.D. Thijs in Heemstede die de kwestie besprak in NVON Maandblad (1988, nr. 8) naar aanleiding van een publicatie in 'The Physics Teacher' van januari 1988 (waarin overigens een ijszeiler figureert).

Thijs bouwde een boot na in de vorm van een sleetje van 370 gram met een elektromotor van 9.5 watt die een propeller met diameter van 15 centimeter aandreef. De slee kon bewegen over een luchtkussenbaan. Er waren proeven mèt en zonder zeil. Zonder zeil deed de slee wat je verwacht van een gewoon propellervliegtuig. Mèt 'zeil' (een dun metalen plaatje van 20 centimeter in het vierkant) gebeurde er niets. Een vlakke metalen plaat werpt de lucht niet terug, zoals de voorwaarde is voor succes, maar opzij.

Het AW-labo beschikt niet over een luchtkussenbaan en is ook niet voorzien van voldoende vrij en windstil water om er bootjes over te laten varen. Het hier afgebeelde model ziet er daarom wat bonkig uit, maar wie goed kijkt herkent toch het windschip van de NWO-quiz. Het zeil is de eindplaat van de goot waarin de bal naar beneden rolt. Die bal stelt een luchtmolecuul voor, het hellend vlak vervangt de ventilator als energiebron. De wielen zijn het wilde water waarover wrijvingsarm wordt weggevaren. Aan de lezer de vraag welke kant het wagentje op gaat als de bal langs de goot naar beneden rolt en tegen het 'zeil' slaat. En de vraag of er op een echt wrijvingloze ondergrond überhaupt verplaatsing is.