SUPERPOSITIVO IN EEN SLANGENKUIl

In Duitsland werkte Peter Engel onder anderen met de huidige Europese kampioene Nicole Struse. Het Nederlandse tafeltennis staat op een beduidend lager niveau. De generatie na Vriesekoop en Hooman heeft weinig te bieden. Al vier jaar vecht de 43-jarige bondscoach tegen het Hollandse negativisme. “De Nederlander wordt al bijna als verliezer geboren.”

De Nederlandse kampioenschappen tafeltennis beginnen vandaag onder een slecht gesternte. Met dank aan het bestuur van de Nederlandse tafeltennisbond NTTB dat zichzelf lelijk in de vingers heeft gesneden door de eerste loting naar de prullenbak te verwijzen. Aanvankelijk stond Bettine Vriesekoop slechts als vierde geplaatst en had ze al in de halve finales met de als eerste geplaatste Gerdie Keen moeten afrekenen. Na correctie van de nationale ranglijst schoof Vriesekoop twee plaatsen op en staat voor haar in de halve eindstrijd een ontmoeting met clubgenote Dong Li op het programma. Die ingreep leidde tot een officieel protest van TTV Noordkop, de club van Emily Noor. Sommige speelsters dreigden de NK zelfs te boycotten.

Als primus inter pares dient bondscoach Peter Engel zich in deze kwestie neutraal op te stellen. “Maar ik vind het onbegrijpelijk dat een loting waarvan de uitkomst bekend is gemaakt opnieuw wordt verricht.” Zo'n relletje is tekenend voor de bloedarmoede in de Nederlandse tafeltenniswereld, die traditioneel wordt verscheurd door interne twisten. De pupillen van Engel spreken louter Nederlands met hem, zelf bedient hij zich nog immer van het Duits. Maar Engel kent inmiddels het Nederlandse woord slangenkuil.

“Een gevaarlijke plek om te werken”, zegt hij, glimlachend. “Maar zo heb ik het Nederlandse tafeltennis niet ervaren. Sommige buitenlandse collega's hebben me inderdaad voor gek verklaard, toen ik aan deze klus begon. Mijn spelers zijn nogal gecompliceerd, vele van hen zijn ook self-made-tafeltennissers. Ze hebben zichzelf opgeleid en dat is tevens mijn grootste probleem. Ik moet technieken aandragen die spelers in het buitenland al op hun dertiende zijn bijgebracht.”

En dan zwijgt Engel nog maar over hun mentaliteit. Cornelis Sluiter, voorzitter van de commissie Topsport van de NTTB, wierp onlangs de handdoek omdat hij de eeuwige conflicten met de spelers meer dan beu was. “Het gebrek aan concurrentie in het Nederlandse tafeltennis heeft de rechten van de spelers alleen maar uitgebreid”, beseft Engel. Telkens werden grenzen verschoven, vooral ook omdat hij “niet over alternatieven beschikte”.

En dus slikte hij de rebellie van Gerdie Keen, die zich vorig jaar op de WK in Manchester door haar nieuwe prive-coach Frits Kantebeen wilde laten coachen. Kantebeen manifesteerde zich destijds al nadrukkelijk op de tribunes en zelfs Engel moest toegeven dat hij te goedgelovig was geweest. Nooit had hij in de bijdrage van privé-trainers een potentiële bedreiging van zijn autoriteit willen zien. Te laat realiseerde de bondscoach zich dat zijn positie werd ondermijnd.

Na de WK concludeerde Engel slechts dat internationals als Melissa Muller en Emily Noor stevig moesten afvallen om ook fysiek op een topsporter te kunnen lijken. “Hoewel ik liever vijf kilo te veel aan de kont zie dan een gram te weinig in de hersens.” Maar met de vuist op tafel slaan? “Dat zit nu eenmaal niet in mijn karakter”, zegt Engel. “Ik zou in de stijl van Milan Stenzel (de Kroatische oud-bondscoach van Nederland) iedereen tegen de schenen kunnen schoppen, maar dan ben ik een karikatuur van mezelf. Woorden winnen niet aan kracht door ze uit te schreeuwen.” Met zelfspot: “Gelukkig heb ik niet alleen een dikke huid.”

Tijdens de Winterspelen in Nagano begreep Engel plotseling waarom de Nederlander topsporter zulke extreme eisen aan zichzelf en aan zijn omgeving stelt. “Ik schakelde elke dag tussen de Nederlandse en de Duitse tv-zenders, de verschillen in benadering waren frappant. De Nederlander wordt al bijna als verliezer geboren, want in dit land telt alleen goud. Al het andere heeft geen enkele waarde. Zo wordt automatisch een moordende druk gelegd op de sportprestaties.”

Verbijsterd zag Engel hoe de schaatsers Ids Postma en Rintje Ritsma na de 1.500 meter diep teleurgesteld naast de Noorse winnaar Sdral op het podium stonden. “Ze reden persoonlijke records op een afstand die als de Formule I van het schaatsen wordt beschouwd. Dan hebben ze toch niet gefaald met zilver en brons? Vier jaar olympische arbeid is met succes afgesloten, dan mag de kleur van de medaille niet uitmaken. Maar in Nederland werden zo ongeveer meteen de fanclubs van Postma en Ritsma opgeheven en sprak de tv-verslaggever met een grafstem, omdat Nederland slechts zilver en brons had gewonnen. Ik vind die houding diep triest.”

Zijn credo: “Elke stap voorwaarts is een topprestatie. Die instelling neemt meteen de angst weg om te verliezen. Wanneer alleen de eerste plaats telt, heb je in feite niets gewonnen als dat doel is bereikt. Want iedereen verwachtte al dat je eerste zou worden.” Die benauwende opvatting van topsport leidt volgens Engel niet alleen tot faalangst, maar tevens tot nodeloze frustraties. “Bijna elke dag zie ik die ook bij mijn ploeg.”

Hoofdschuddend constateerde de bondscoach dat de Duitse schaatster Gunda Niemann door de Nederlanders werd gehekeld, omdat ze haar tweede plaatsen achter Marianne Timmer (1.500 meter) en Claudia Pechstein (5.000 meter) zo uitbundig vierde. Engel: “Dat is toch complete waanzin? Niemann reed op de 5 kilometer nota bene een wereldrecord, daar mag die meid toch trots op zijn? In Duitsland werd skiër Katja Seizinger al bejubeld toen ze op de slalom zesde werd, hoewel ze als favoriete was gestart. Ik besef inmiddels dat het verketteren van een sporter die tweede is geworden een typisch Nederlandse gewoonte is, maar ik blijf me daar tegen verzetten. Op die manier valt in de sport niets meer te winnen.”

Nu is het logisch dat Engel een dergelijke visie propageert, want hij heeft het afgelopen jaar bijna niets gewonnen. De vrouwenploeg bleef steken in de eerste categorie van Europa en het mannenteam zonder Danny Heister en Trinko Keen degradeerde roemloos naar de kelder van het internationale tafeltennis, want ook in de eerste divisie werd geen enkele partij gewonnen. Maar ook nu geeft 'superpositivo' Engel geen krimp.

“We speelden tegen ervaren jongens die gemiddeld 100 tot 150 plaatsen hoger op de wereldranglijst stonden. Ons talent Jörg de Cock heeft winstkansen gehad tegen topspelers als Cioca, Lupulesku en Janci. Dat telt misschien niet voor de buitenwacht, maar Jörg heeft veel ervaring opgedaan. Ik denk bovendien dat de druk voor hem nog iets te groot was. Als De Cock in de schaduw van Heister en Keen had kunnen opereren, zou hij die partijen hebben gewonnen. Nu had Jörg niemand om zich aan op te trekken.”

Dat klopt, want het is illustratief voor het treurige niveau van het Nederlandse tafeltennis dat een recreant als Jonah Khan zich binnen een half jaar in de nationale ploeg speelde toen hij had besloten professional te worden. “Achter Heister en Keen gaapt een enorme kloof, maar dat wisten we al”, zegt Engel. “Daarom hebben we ook een beleid ontwikkeld, waarin Jong Oranje een prominente plaats gaat innemen. Je kunt zeggen dat we vier jaar te laat zijn. Desondanks zijn we een van de eerste landen die het roer na de Europese kampioenschappen radicaal gaan omgooien.”

Op dat evenement in Eindhoven mag de oude garde zich nog één keer bewijzen. Zelfs Bettine Vriesekoop heeft zich weer beschikbaar gesteld voor het nationale team, al raakte Engel niet opgewonden van die mededeling. Ook nu spreekt de rasdiplomaat, de evenwichtskunstenaar die zijn vingers niet wil branden aan openlijk uitgesproken oordelen. Maar welke coach weigert op voorhand de medewerking van een speelster die nog steeds de nummer één van Nederland is, hoewel ze door de bond niet meer als zodanig wordt beschouwd?

“Wie zegt dat Bettine de nummer één is?”, vraagt ook Engel zich af. “Ik heb haar tijdens het toernooi in Moskou gevraagd of ze op de Europese kampioenschappen beschikbaar is voor het Nederlandse team. Daar heeft ze bevestigend op geantwoord. Maar dat wil niet zeggen dat ik haar ook selecteer. Voor mij is Bettine één van de speelsters op wie ik een beroep kan doen. Ik maak voor Vriesekoop geen uitzondering. Ze leeft niet boven de wet, maar dat geldt voor alle speelsters. Ik beslis pas na de Nederlandse kampioenschappen over de samenstelling van de ploeg. Maar wat mij betreft, staat het teambelang voorop en niet het belang van Vriesekoop.”

Engel heeft lang moeten nadenken over de positie van de 36-jarige Amsterdamse. “Ik meende dat thema al vorig jaar op de Top-12 in Eindhoven te hebben afgesloten. Een speelster die afscheid heeft genomen bestaat voor mij op dat moment niet meer. Het heeft me verrast dat Bettine op haar beslissing is teruggekomen.” Ironisch: “Ik weet niet hoe vaak je in Nederland afscheid kunt nemen. Je wordt hier in elk geval drie keer gekust, misschien mag je dan ook drie keer terug komen.”

In de aanloop naar de EK zullen de gedachten van Engel ongetwijfeld afdwalen naar de vorige Europese kampioenschappen, twee jaar geleden in Boedapest. In die periode leed de 14-jarige dochter uit het eerste huwelijk van zijn vrouw Judit Magos aan leukemie. “Ik kan geen woorden vinden voor het onbeschrijfelijke leed van dat meisje”, zegt Engel. “Hoe wrang het ook klinkt, we waren opgelucht toen Tymia eindelijk was gestorven, want het kind had geen enkel perspectief. Onze andere dochter Steffi weet tot op de dag van vandaag niet dat de benen van Tymia moesten worden geamputeerd. Het is al erg genoeg dat ze haar zusje heeft verloren, de details wil ik haar voorlopig besparen.

“De amputatie gebeurde vlak voor de EK in Bratislava. De speelsters zagen dat er iets met mij aan de hand was en mede op hun verzoek heb ik het trainingskamp verlaten om mijn vrouw bij te staan. Maar Judit vond dat ik meteen weer terug moest. We wisten allebei dat Tymia niet lang meer had te leven. Ik had meer waarde bij mijn team, daar moest ik onze gezamenlijke toekomst in Nederland veiligstellen. Ik weet dat het hard en zelfs cynisch overkomt. Maar zo zijn Judit en ik opgevoed. Het plichtsgevoel en de verantwoordelijkheid voor een ander, voor het team is bij ons diep geworteld.

“Toen Tymia uiteindelijk overleed, moest ik met de ploeg naar Atlanta. Judit hield me voor dat we na de Olympische Spelen tijd zouden vinden om te kunnen rouwen. Maar dat proces is oneindig. We hebben haar dood nog steeds niet volledig kunnen verwerken. Telkens worden we aan Tymia herinnerd, op haar verjaardag, met kerstmis, bij het bladeren in fotoboeken. Er gaat in feite geen dag voorbij zonder dat ze bij ons is.”

    • Robèrt Misset