Samen somber; Non-verbaal gedrag voorspelt verloop depressie

Non-verbaal gedrag van depressieve patiënten wordt zelden bestudeerd. Maar in Groningen was het onderwerp van twee recente dissertaties. En wat blijkt? Depressieven die zich moeilijk aanpassen aan het non-verbale gedrag van een gesprekspartner, hebben minder kans op herstel. Op zoek naar een mechanisme.

WE ZITTEN IN een spreekkamer op het Psychiatrisch Instituut in Groningen. “Ik vind het nooit zo moeilijk om duidelijk te maken wat voor gedrag ik onderzoek”, zegt dr. Erwin Geerts, druk bewegend met zijn handen. 'Jaja', knik ik, goedkeurend brommend. Triomfantelijk kijkt Geerts me aan. Deze interactie tussen ons is precies wat hij onderzoekt: “Gesticuleren van een spreker roept vrijwel altijd zo'n stimulerende respons op bij de gesprekspartner. En andersom. Normaal passen gesprekspartners het niveau van hun non-verbale gedrag vrij snel aan elkaar aan. Als de een weinig doet, doet de ander ook weinig. Als die aanpassing niet gebeurt, is er iets mis.”

Na de middelbare school wilde Geerts (31) boer worden. En eigenlijk nog steeds: “Als ik geld en ruimte genoeg heb, koop ik een koe. Heerlijk lijkt me dat.” Maar na de hogere landbouwschool was Geerts nog maar amper 21 - te jong om als landbouwingenieur serieus genomen te worden. Hij ging biologie studeren, met ethologie als specialisatie: “Niet zo verrassend, want als kind kon ik al uren lang naar kippen kijken.” Inmiddels kijkt Geerts naar mensengedrag. Afgelopen december promoveerde hij in Groningen bij de psychiater R. van den Hoofdakker en de ethologe Netty Bouwhuys op non-verbaal gedrag bij depressieve patiënten: An ethological approach of interpersonal theories of depression.

INTERESSANTE INGANG

“Non-verbaal gedrag is een goede manier om naar depressie te kijken, al wordt het zelden gedaan”, verklaart Geerts zijn promotieonderwerp. “En depressie is weer een heel interessante ingang om naar menselijke gedrag in het algemeen te kijken.” Het ging in Geerts' onderzoek om patiënten met een major depression (volgens de officiële Amerikaanse DSM IV-categorisering). Die mensen (meer vrouwen dan mannen) lijden aan langdurige en intensieve somberheid die gepaard gaat met verschijnselen als gewichtsverlies, onterechte schuldgevoelens, concentratieproblemen, slapeloosheid, geagiteerdheid of juist grote traagheid, enzovoorts. Geerts onderzocht ook het non-verbaal gedrag van patiënten met een winterdepressie: een depressie die in de winter opkomt en in de zomer weer verdwijnt.

Geerts' belangrijkste ontdekking is dat de mate van onderlinge afstemming van het speaking effort (gesticulatie, regelmatig kijken naar gesprekspartner e.d.) en encouragement (aanmoedigend 'hm hm' brommen, ja knikken e.d.) van respectievelijk een patiënt en een interviewende psycholoog het verloop van de depressie kan voorspellen, zowel de gewone als de winterdepressie - een samenhang die onafhankelijk bleek van de ernst van de depressie. Het gaat om klinische interviews van een kwartier, die met medeweten van de patiënt door videocamera's werden geregistreerd. Op zichzelf een geforceerde situatie, maar in de praktijk met duidelijke resultaten. Geerts: “Hoe beter het non-verbaal gedrag van de patiënt en de klinisch interviewer in de loop van deze gesprekken op elkaar afgestemd raakten, des te gunstiger was het verdere verloop van de depressie. En belangrijk is dat de mate van deze non-verbale afstemming niet bleek samen te hangen met twee àndere factoren die ook het herstel van een depressie voorspellen: de persoonlijkheid van de patiënt of de wijze waarop hij sociale stimuli interpreteert, beide toch niet onbelangrijk voor het non-verbale gedrag, zou je zeggen.”

De interpretatie van sociale stimuli onderzocht Geerts door patiënten de emoties op schematische gezichten te laten schatten. Een negatieve interpretatie van de emoties op gezichten met een ambigue uitdrukking bleek voorspellend voor een weinig voorspoedig herstel. “Persoonlijkheidskenmerken hebben we vastgesteld met een vragenlijst. Een weinig open en coöperatieve houding in sociale contacten bleek ook samen te gaan met een geringere kans op blijvend herstel. Je zou verwachten dat al deze zaken met elkaar zouden samenhangen, maar dat is niet zo. Om echt te begrijpen wat er gebeurt bij een depressie moeten dus alle drie factoren in samenhang worden bekeken.” Er lopen dan ook nog aanvragen voor verder onderzoek, bijvoorbeeld naar man/vrouw-verschillen.

Sowieso kan de voorspellende waarde worden gebruikt om beter op de patiënt toegespitste therapieën voor depressie te vinden. Geerts: “We willen onder meer proberen om de meting van de non-verbale afstemming minder arbeidsintensief maken. Door bijvoorbeeld te kijken of het genoeg is om alleen de eerste en laatste drie minuten van een gesprek te analyseren.”

In de kelder van de psychiatrische polikliniek van het Academisch Ziekenhuis Groningen laat Geerts zien waar hij zijn materiaal verzamelde: een lege, niet al te grote kamer, met in een hoek een rond tafeltje met twee stoelen ernaast. Elders in de kamer staat drie videocamera's op statieven: twee gericht op de stoel van de patiënt, en een op de ander. De driedubbele beelden van de gesprekken tussen patiënten en een ander worden vervolgens gescoord op non-verbaal gedrag: al of niet spreken, beenbewegingen, aankijkgedrag, hoofdbewegingen, gesticulatie (spraakondersteunende handbewegingen), objectgerichte handbewegingen (bijvoorbeeld spelen met een pen), lichaamsgerichte handbewegingen (hand door haar e.d.). Al met al bekeken Geerts en medewerkers iedere band twaalf keer. Bij iedere run wordt telkens voor een ander gedrag gescoord door knoppen wel of niet ingedrukt te houden.

Voortbouwend op eerder onderzoek van zijn co-promotor Netty Bouhuys, die al allerlei statistische samenhangen tussen deze vormen van gedrag had bepaald, onderzocht Geerts de relatie met het beloop van de depressie. “Aanvankelijk vonden we dat patiënten die vervolgens minder snel herstel vertoonden veel gesticulatie lieten zien, maar in latere onderzoeken vonden we dat effect niet terug”, aldus Geerts. In totaal werd in het kamertje het non-verbale gedrag van 152 depressieve patiënten onderzocht.

Algemeen wordt aangenomen dat bewegingen, stemverbuigingen en gezichtsuitdrukkingen verantwoordelijk zijn voor zo'n 60 procent van de communicatie tussen mensen - zoals iedereen al kan merken uit de verschillende ervaring van een telefoongesprek of een ontmoeting face to face. Het non-verbale gedrag is natuurlijk per definitie goed zichtbaar, maar de interactie speelt zich niettemin op een onbewust en emotioneel niveau af. Het valt amper bewust te manipuleren. Geerts: “Om te kijken of je de speaking effort kon beïnvloeden, heb ik in bepaalde experimenten wel expres veel encouragement moeten geven, maar daarbij bleek het ontzettend moeilijk om mijn aandacht nog bij de loop van het gesprek te houden. Waardoor het gesprek weer heel onnatuurlijk werd. Het menselijk bewustzijn kan kennelijk niet het hele verbale en non-verbale proces in een keer tegelijk vatten, een deel blijft op een onbewust, emotioneel niveau.” Overigens gaat juist daarom Geerts ervan uit dat het non-verbale gedrag tijdens de interviewsituatie, waarop hij zijn bevindingen heeft gebaseerd, niet heel erg afwijkt van hoe de patiënt de rest van de dag reageert. “Al moet je wel voor ogen houden dat het hier gaat om een interactie met andere mensen: het gedrag wordt nooit veroorzaakt door de patiënt alleen.”

Al langer is bekend dat hoe beter tijdens de ontmoeting van twee mensen de non-verbale afstemming plaatsvindt, des te tevredener deze mensen zich over de ontmoeting voelen. Terwijl aan de andere kant depressieven juist minder sociale steun ontvangen, minder sociale contacten hebben, en over die contacten ook weer minder tevreden zijn dan mensen die geen depressie hebben. Mensen met een depressie wekken bij anderen ook vaker afwijzende gevoelens op. Maar of het sociale gedrag nu oorzaak is van de depressie of andersom, is moeilijk te bepalen. Analyse van non-verbaal gedrag kan daarom een belangrijk handvat zijn om mechanismen in het sociale leven van patiënten bloot te leggen die de depressiviteit in standhouden of veroorzaken. “Ik heb sterk het gevoel dat veel placebo-effecten van therapieën te verklaren zijn uit het effect van de non-verbale interactie met de arts of therapeut. Als de non-verbale afstemming niet goed gaat, ontstaat er al gauw ontevredenheid, hetgeen weer negatieve effecten geeft. En andersom. Het zou ook best kunnen dat de mate van non-verbale afstemming tussen jonge kinderen en hun moeder aan de basis ligt van het vermogen tot hechting en mogelijk ook de kans op depressie. Uit ons Gronings onderzoek blijkt in ieder geval dat deze non-verbale factor goed te onderzoeken valt.”

VICIEUZE CIRKEL

Volgens de Amerikaanse psycholoog J.C. Coyne gaat er bij depressieven iets mis bij de wijze waarop zij 'steunzoekend gedrag' vertonen. Het depressieve gedrag is in feite een manier om steun en betrokkenheid te vragen bij anderen. In het begin lukt dat ook wel, maar al snel wordt die betrokkenheid gemengd met afwijzing. Op de langere duur blijft vooral de afwijzing over. De depressieve persoon komt in een vicieuze cirkel terecht omdat die afwijzing hem juist sterker depressief gedrag laat vertonen, dat immers zijn strategie is om steun te verwerven. De psycholoog dr. William W. Hale III (32) promoveerde in december vorig jaar op een proefschrift, eveneens bij Van den Hoofdakker en Bouhuys, waarin hij Coyne's theorieën als belangrijk uitgangspunt nam: Interpersonal interactions of depressives. “Ik vind het een vrij logische theorie, juist omdat hij uitgaat van de interpretatie door de patiënt. En mijn bevindingen op het gebied van non-verbaal gedrag ondersteunen de redenering van de vicieuze cirkel”, aldus de opgewekte Amerikaan, die dertien jaar geleden naar Nederland kwam nadat hij in Boston zijn huidige Nederlandse vrouw had leren kennen. Inmiddels volgt hij een opleiding tot psychotherapeut.

In hetzelfde kamertje als waar Geerts zijn opnamen maakte, liet Hale voor zijn promotieonderzoek depressieve patiënten een kwartier praten met hun vaste partners (waarmee ze, dat was voorwaarde tot deelname, minstens al een jaar moesten samenleven). En Hale liet hen vervolgens ook een praatje maken met hen tot dan toe onbekende proefpersonen die in geslacht en leeftijd overeenkwamen met de partner. Mogelijke gespreksonderwerpen waren tevoren in overleg bepaald, maar de onderwerpen stonden verder vrij.

Na analyse van de banden vond Hale dat de partners van de patiënt veel minder non-verbale encouragement gaven dan de controle-personen, en dat ook de patiënten bij hun partner veel minder speaking effort deden dan tijdens het gesprek met de controle-persoon. De gesprekken zelf verliepen niet zo verschillend. Volgens Hale is het verschil in non-verbaal gedrag een ondersteuning van de theorie van Coyne. In het nieuwe contact met de onbekende persoon vertoont de depressieve patiënt nog betrokkenheid: het begin van de vicieuze cirkel: met zijn speaking effort zoekt hij actief steun. Maar in het contact met de partner is de patiënt al veel verder in het psychosociale proces waarin de depressie is ontstaan: de afweer was al ingetreden, er is weinig non-verbale interactie.

GEVOELIG PUNT

Dat het gesprek in het kamertje in de kelder een enigszins geforceerde sfeer zou oproepen waardoor vooral het gesprek tussen de partners onnatuurlijk zou verlopen, gelooft Hale niet. “Het is natuurlijk een gevoelig punt van dit soort onderzoek, maar mensen wennen snel aan de proefopstelling. En het verschil in het contact met de controle-persoon is overduidelijk.” Dat de interactie tussen de patiënt en zijn (niet-depressieve) partner belangrijke effecten heeft, bleek ook uit het feit dat ook de partner bij het inschatten van emoties op schematische gezichten negatievere emoties noemen dan 'normale' controlepersonen. Ook bleek Hale dat de mate waarin patiënten zeiden thuis 'kritiek' en 'irritatie' te verwachten samenging met een moeizamer herstel. Dat lijkt weinig verrassend, maar is het niet, aldus Hale. “Want in de therapieën wordt met deze interactie weinig rekening gehouden. Heel veel therapie wordt nog altijd individueel gegeven.” Of in de sociale interactie thuis of elders een oorzaak ligt van een depressie, betwijfelt Hale, “want er zijn zoveel variabelen die daar aan bijdragen: de interne karakterkenmerken van een persoon, maar ook de biochemie. De kunst is te zeggen op welk aspect een therapie het meest gericht moet zijn.” Wel denkt Hale dat het voorbestaan van een depressie belangrijk door het sociale interactieproces wordt beïnvloedt. “In sommige relaties lijkt de negatieve kijk op de dingen te worden versterkt. Partners passen zich aan elkaar aan en krijgen dan steeds meer moeite met de interactie.” Vanachter een metalen kast op zijn piepkleine kamertje op het Psychiatrisch Instituut haalt Hale een grote plaat van Escher tevoorschijn: twee gezichten die zijn samengesteld uit één schil. “Die laat ik wel eens zien als ik wil uitleggen wat ik onderzoek: twee mensen, een geheel. En daarbij kan heel wat mis gaan.”