Ons panorama

Op de gang van ons kantoor vroeg ik aan een paar collega's of ze wisten waar Lugdunum Batavorum heeft gelegen. De meesten veronderstelden dat het de naam is van de Romeinse nederzetting op de plaats waar nu Leiden ligt. Ik heb een geschiedenisleraar gehad die zich over deze veel voorkomende vergissing vreselijk kwaad kon maken. Lugdunum Batavorum is de laatste van de door Drusus gebouwde Rijnkastelen, aan de monding van wat nu de Oude Rijn heet, in de buurt van Katwijk.

Op landkaarten van Nederland in de Romeinse tijd zie je L.B. daar ingetekend. De Oude Rijn hoort, samen met de Linge, tot de treurigste voorbeelden van Nederlandse rivieren die betere tijden hebben gekend. Als je van Noordwijk naar Katwijk loopt, kom je langs de monding. Het beste is het, daar zelf eens te gaan kijken.

Het thema van deze Boekenweek is het panorama van Nederland, 'Stad en land in proza en poëzie'. Jammer dat de kaarten er niet bij staan. Het genre landkaart hoort misschien niet in directe zin tot de literatuur, evenmin als bijvoorbeeld het genre kookrecept en dienstregeling in het spoorboekje, maar ze zijn wel belangrijke bronnen van inspiratie. In deze tijd leggen we ons vooral toe op het tekenen van toekomstkaarten: Nederland zoals het zal zijn over tien of dertig jaar, of hoe het zou moeten zijn volgens de idealen van 1998 en wat we er waarschijnlijk van zullen maken als we niet oppassen. Het wordt volgens de denkbeelden van nu, onafwendbaar, één grote stad. In de Boekenweek bewijzen we een beetje literaire lippendienst aan de natuur.

Kijk nu eens naar de kaart van de Nederlanden in de Romeinse tijd. Het Flevomeer is kleiner dan nu, de Zeeuwse en Zuid-Hollandse en de Waddeneilanden bestaan niet, en de Waal mondt uit in een grote binnenzee, ergens in een buurt tussen Wijk bij Duurstede en Schoonhoven.

Duizend jaar later, in de vroege Middeleeuwen: onherkenbaar veranderd. Meer dan de helft van wat we in de Romeinse tijd hadden, is door de erfvijand veroverd. De Waddeneilanden zijn ontstaan, het Flevomeer is een uitgestrekte binnenzee geworden en ten zuiden van Vlaardingen strekt zich opnieuw een watervlakte uit, met hier en daar een eilandje.

In de paar eeuwen die daarop volgen slibt er in het zuiden veel bij, en dat wordt ingedijkt, maar de Zuiderzee is nog wat groter geworden en achter de Noord-Hollandse duinen strekt zich het waterland uit, de moerassigheid waarvan je je nu nog een zwakke voorstelling kunt maken als je via de Zwanenburgroute op Schiphol aankomt.

Tot de droogmaking van de Wieringermeer en de aanleg van de Afsluitdijk blijft ons land dan (die illusie heb ik) in grote trekken wat het de driehonderd jaar daarvoor is geweest. Ook toen dachten de polderende Hollanders al begerig aan de Zuiderzee, maar zover was het nog lang niet: 'De dominee van Urk, die zou op Schokland preken. Door 't ruisen van de zee, was hij zijn preek vergeten.' Schokland heeft volgens de overlevering in zijn laatste periode als eiland huisvesting geboden aan allerlei bedenkelijke elementen die op het Nederlandse continent niet konden aarden. Nu is het een verhevenheidje in de polder.

De Zuiderzee werd beheerst door de Friese zeerover Greate Pier. Ik dacht weer eens aan hem, een paar jaar geleden, toen ik met iemand meereed naar het verre Noorden. We stapten even af bij een kroeg op een kruispunt van waterwegen. 'Dit is het hoofdkwartier van de binnenvaartzeerovers', zei mijn gastheer. De klanten bekijkend leek het me niet onwaarschijnlijk.

Wie van Amsterdam naar Friesland wilde, kon het best de nachtboot naar Lemmer nemen. Tussendekspassagiers met hun schamele bagage, hoofdstedelijke desperado's die de grond te heet onder de voeten was geworden: voor je het weet heb je een binnenlandse versie van de Mayflower voor ogen. Maar ook nu nog zijn er aan de oevers van het Flevomeer plaatsen waar je je even kunt voorstellen dat je aan het einde van een oude wereld bent, op de drempel van een nieuwe verte. Het station van Enkhuizen bijvoorbeeld, dat aan het water ligt, met Friesland achter de horizon. Overal waar de ene vorm van vervoer overgaat in de andere wordt deze illusie gewekt, al is het maar voor een paar seconden, zoals op dat rijdende pontje door / over het Merwedekanaal, ergens bij Loenen.

Dit wil ik zeggen: tot de middelen waardoor het panorama van Nederland kan worden opgeroepen, horen ook de landkaarten van vroeger en straks. Met de pen van de cartograaf worden visioenen opgeroepen waaraan de pen van menig literator nooit zal toekomen.