Niegoed

De vrouw van Karbakir geleek een Marokkaanse Monica Lewinsky. Haar mond was felrood, het haar parelzwart. Een hoofddoekje paste niet op zo'n kapsel. Ze sprak beter Nederlands dan hij en haar mond vertrok zich als de ovaal van een achtbaan. “Hij ies toch niet goed”, zei ze, naar hem wijzend. Ze draaide zich naar mij, dweperig als een dievegge. “Siet u naauw self dookter.”

Karbakir zat erbij alsof hij door agenten opgebracht was. Een gezette zweterige man, wat kalend, de handen op de knieën. “De suiker is goed”, somde ik op. “Ja, godverdomme, altijd goed”, mompelde hij.

“De bloeddruk is goed, het water is goed.” “Goed, goed”, beaamde hij. Ze nam opnieuw het woord en wees naar hem als Potiphars vrouw. “Sain buik ies niet goed, slaapen is niet goed.” “Niegoed, niegoed”, beaamde hij weer.

“Is de ontlasting goed”, vroeg ik. Ze zwegen niet-begrijpend. “Toilet goed?”, vroeg ik ter verduidelijking. “Jaa goedgoed”, zei de man. “Naai, dat ies nie goed”, onderbrak de vrouw. Ik somde weer op. “Poepen goed?” “Goed, goed”, antwoordde hij opnieuw. “Naai, dat ies niet goed, dookter hai segt altaid maar dat aales goed is.” Er volgde een onderling gesprek in het Berbers? Arabisch?

Ik herinnerde me een zinsnede uit een brief die geschreven was door mijn voorganger en gericht aan de huisarts. Het ging over een Turkse man. “De communicatie met uw patiënt was uiterst beperkt omdat uw patiënt uitsluitend Marokkaans sprak”, stond er plechtstatig. Ineens kwam die zin me uiterst komisch voor.

Het gesprek tussen Karbakir en zijn vrouw had resultaat opgeleverd. “Poepen nie goed”, zei hij nu, “slapen nie goed, maag nie goed.” Ik knikte. “Kom even mee”, zei ik. We gingen naar de onderzoekkamer en ik bevoelde zijn buik. Het schaamhaar was afgeschoren. Haarstompjes kwamen door als een slecht geschoren baard en prikten in de slap gezwollen voorhuidloze penis.

Toen hij zich aankleedde en ik de handen waste, begon hij te praten. “Dookter, slapen met vrouw nie goed”, zei hij. “Lul slap, eh, vrouw kwaad.” Beschaamd gooide hij het er uit. Ik was verbluft, verlegen ook. “In de beperking toont zich de meester”, zei ik zacht. Niet-begrijpend sjorde hij zijn broek vast.