Modernisering sluipt via Britse oud-kolonie Chinees vasteland binnen Halfweg tussen China en Hongkong

De Chinese stad Shenzhen ligt in de schaduw van Hongkong, dat juni vorig jaar terugkeerde in de moederschoot van China. McDonald's, Marlboro en Pulp Fiction staken de grens over. Maar de vrijheid van meningsuiting slaat niet zo snel over naar het vasteland. De grote vraag is: wordt China meer als Hongkong of wordt Hongkong Chineser?

Als je sommige zakenlui mag geloven, zou de grens tussen Hongkong en China er net zo goed niet kunnen zijn. Het is heel goed mogelijk dat hun optimisme misplaatst is, maar het is tenminste weer eens wat anders dan de sombere ideeën van sommige democraten, veelal juristen. In mijn hotel spreek ik met Daniel Ng, de man die de Chinese tak van McDonald's heeft opgebouwd. Ng is er trots op dat hij onmiddellijk na het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede als eerste buitenlandse zakenman naar Peking is gegaan. Hij kwam als geroepen, en McDonald's heeft goed geboerd. De eerste hamburgertent werd in 1990 geopend in Shenzhen, net over de grens bij Hongkong.

Een jaar later werd er een geopend in Peking. Ng is een ritselaar met een vlotte babbel, iemand die weet hoe je in China's cowboy-economie te werk moet gaan. Wetteloze toestanden? Ng spert zijn mond wijd open voor een schelle lach. “Daar moet je niet over klagen. Je moet ervan profiteren.” Corruptie? Bureaucratie? “Zeker. Je moet ermee om weten te gaan. Ik steek ze iedere dag weer met het grootste genoegen de loef af.”

Toch is Ng minder bot dan hij lijkt. Hij weet dat China met de rechten van de mens een loopje neemt. Ng is zelfs voorstander van rechtstreekse verkiezingen in Hongkong en China. Hij denkt wel dat Hongkong China kan veranderen door als voorbeeld te dienen, als proeftuin te fungeren: “Wij zijn heilzaam voor China door onszelf te zijn, door hun te laten zien hoe je met buitenlanders omgaat zonder een grote bek op te zetten of laf weg te kruipen. Met verkiezingen hier kunnen wij zelfs aan hen duidelijk maken dat democratie oké is.”

Ik besluit nog eens een kijkje te gaan nemen aan de grens tussen Hongkong en Shenzhen (waar McDonald's inmiddels elf zaken heeft). Ik wil Hongkong om zo te zeggen eens van de andere kant zien. Toen ik voor het eerst, door een verrekijker, over die grens tuurde, in de jaren zeventig, was Shenzhen een dorpje tussen de rijstvelden. China was het duistere, verboden land achter de wachttorens en het prikkeldraad. Die afrastering is er nog altijd, net als de torens, maar nu zie je bij het binnenrijden van het station aan de grens een splinternieuwe stad van wolkenkrabbers oprijzen. Aan de andere kant loop je het station uit, China in, langs een bord met de tekst 'Heb het moederland lief!'. Het eerste wat je ziet is een reusachtig billboard met de Marlboro-man. Mijn hotel ligt op vijf minuten lopen van het station. In die vijf minuten wordt mij zeker tien keer een meisje aangeboden: “Hello, you, hello... miss, you want miss?” In Shenzhen, zo had een zakenman in Hongkong mij gezegd, is alles te koop, de overheid inbegrepen.

Shenzhen is een stad van welbespraakte ritselaars op jacht naar voordelige handel. Er heerst streng toezicht, maar tegelijkertijd is het net zo'n jungle als Tijuana. Uit heel China komen jongelui hierheen om te werken, het ouderlijk huis te ontvluchten, geld te verdienen en mensen te leren kennen, en misschien naar het buitenland te gaan. De laagstgeschoolden werken in de fabrieken, waar ze elektronica maken voor Chinese, Westerse of Hongkongse firma's. Ze wonen opeengepropt in betonnen groepswoningen buiten de stad, waar ze 's winters kou lijden en 's zomers stikken van de hitte. Omgerekend verdienen ze ongeveer 150 dollar per maand. Meisjes die er aardig uitzien, gaan er vaak weg om gemakkelijker geld te verdienen. De knapste vinden misschien emplooi als weekendmaintenee van een zakenman uit Hongkong. De mensen die het niet redden, bedelen op straat of sturen hun kinderen uit bedelen.

Een geliefd trefpunt voor jongeren met geld is de Henry J. Bean-bar in hotel Shangri-La. Daar ontmoet ik Simon Fang uit Peking, een stevige geschikte kerel, die zo te zien iedereen in Shenzhen kent. Onder het praten volgen we met één oog een Amerikaanse basketbalwedstrijd op een videoscherm. Simon heeft in van alles en nog wat gehandeld en mag over de opbrengst niet klagen. Op het ogenblik regelt hij in hoofdzaak optredens van muziekgroepen uit andere delen van China. Hij biedt me een toertje door de stad aan, volgens hem een soort Nergenshuizen. Op zijn Japanse motor gaan we op pad. Het is interessant om te zien wat hij het vertonen waard vindt: een Amerikaanse fitnessclub, een nieuw warenhuis met de laatste mode uit Hongkong, en de grootste McDonald's van de stad.

Terug in de Henry J. Bean-bar treffen wij een vriend van Simon, ook al zo'n Shenzhense success story. Richard Xia, een gedrongen man met smalle, intelligente ogen, komt eveneens uit Peking. Na zijn studie is hij naar Shenzhen gekomen, waar hij bij een bedrijf heeft gewerkt, Engels heeft geleerd, en een aanvraag heeft ingediend om in de Verenigde Staten te mogen studeren. Het heeft hem drie jaar gekost om een visum te krijgen. Na enkele jaren aan de Amerikaanse westkust te hebben gestudeerd en gewerkt, woont hij nu in Hongkong en drijft handel in metalen in China. Evenals Daniel Ng wijst hij erop dat wettelijke bescherming in China weinig voorstelt en dat Chinese zakenpartners zich vaak niet aan contracten houden. “Dat gebeurt voortdurend”, zegt hij. Maar de winst is goed, dus je zit er niet mee. Ook hij komt weer met de mantra van de zakenman: “China zal veranderen, zal meer vrijheid krijgen. Hongkong zal veel invloed krijgen. In beide plaatsen zal alles beter worden, want ze zullen elkaar ergens halverwege ontmoeten.”

Simon Fang en Richard Xia doen en praten net zo als jonge Chinezen in Hongkong of op Taiwan. Wat China tegelijkertijd zo fascinerend en verontrustend maakt, is de discrepantie tussen hun tomeloze optimisme en die andere verhalen die je hoort, over massa-executies, corrupte ambtenaren en de goelag met miljoenen gevangenen. Het is duidelijk dat Shenzhen is beïnvloed door Hongkong, maar tot dusverre alleen op een primitief, materialistisch niveau. Het is mij niet duidelijk hoe Hongkong China halverwege tegemoet zou kunnen komen. Het zou al een stap vooruit zijn als Shenzhen meer werd zoals Hongkong. Maar als Hongkong meer gaat lijken op Shenzhen, zou dat een stap terug zijn naar een rauwere, wettelozere vorm van kapitalisme.

Gestoofde hond

Hongkong is hoe dan ook minder aantrekkelijk geworden voor jonge Chinese ondernemers. In de flat van Simon Fang zijn geen Kantonese filmposters te bekennen - hij kijkt liever naar Pulp Fiction. Hij zegt dat hij eventueel wel naar Amerika zou willen gaan, maar dat het leven in Hongkong hem niet aantrekt. Misschien speelt daarbij de traditionele minachting van de noorderling voor zuid-China, en dan speciaal voor Hongkong, een rol. Maar voor Simon is Hongkong alleen maar een plaats om zaken te doen, niet een reservoir van progressief politiek gedachtegoed of juridisch raffinement. Een vriendin van hem, May Huang, denkt er net zo over. Deze jonge vrouw werkt in een stad niet ver van Shenzhen voor een Japanse oliemaatschappij. Wij treffen elkaar voor een etentje - gestoofde hond - na een lange taxirit langs het grootste themapark van China. Ik zie een Eiffeltoren in de schijnwerpers achter het Parthenon en de Egyptische piramiden. (Themaparken zijn populair in Nergenshuizen.)

May vertelt mij over haar jeugd in noord-China als kind van streng communistische ouders. Voor haar was Shenzhen een bevrijding, niet zozeer van het communisme als wel van het traditionele gezinsleven. “In China houdt iedereen altijd je doen en laten in de gaten”, zegt ze, “vooral als je een jonge vrouw bent. Shenzhen had mijn kijk op het leven verbreed. Nu wil ik naar Europa of de VS gaan.” En wat vindt ze van Hongkong, vraag ik. Ze trekt een gezicht. Toen ze nog maar pas in het zuiden was en naar de televisie uit Hongkong keek, vond ze het non-stop entertainment 'vulgair' en 'onverantwoordelijk'. Daarna begon ze het ontspannend te vinden - je hoefde niet na te denken. Het is toch een soort vrijheid, dacht ze. Je hoeft tenminste geen propaganda na te praten. Alleen hoef je voor lepe zaakjes of stompzinnig vermaak niet meer naar Hongkong te gaan. Je kunt het allemaal hier krijgen, in Shenzhen, in China.

Wij besluiten de avond in een disco, de 'House'. Mannelijke en vrouwelijke prostitués bevolken de lobby beneden en de bar op de eerste verdieping, en lopen de aparte vertrekken in en uit waar zakenlui uit China en Hongkong een hoop lawaai maken en cognac en dure Franse wijnen drinken. De rap- en housemuziek is oorverdovend, het groene stroboscooplicht oogverblindend, en op de dansvloer verdringt zich een zwetende, deinende menigte. In iedere hoek en midden voor elke deur staan gewapende mannen in uniform op wacht: streng toezicht te midden van anarchie. Op een podium dansen drie lange, Chinese meisjes in bikini. Ze bewegen als turners, zonder veel gevoel, maar met koortsachtige, bijna demonische energie.

Randfiguren

Je zou denken dat in Hongkong de felste critici van het Chinese communisme politiek rechts te vinden moeten zijn. Maar als rechts betekent 'vóór kapitalisme en autoritair bestuur', dan is rechts in Hongkong pro-Peking. Arbeidskrachten zijn in China niet alleen goedkoper, ze hebben ook nog eens minder rechten dan hun collega's in Hongkong, en dat komt vele ondernemers in Hongkong prachtig uit. Het is dan ook geen wonder dat de meest radicale oppositie tegen Peking van links komt, van onafhankelijke vakbondsmensen en diverse linkse actievoerders. Er zijn in Hongkong ook een stuk of wat linksen die Peking welgezind zijn: overblijfselen van de antikoloniale strijd uit de jaren zestig. Velen van hen zitten nu in het voorlopige wetgevende lichaam.

De meeste linkse critici van Peking zijn randfiguren in de Hongkongse samenleving, en het is onaannemelijk, en misschien niet eens wenselijk, dat het socialisme de problemen van Hongkong zal oplossen. De actievoerders zijn tenminste consequent in hun standpunt dat Hongkong alleen vrij kan zijn wanneer China zelf vrij is. Deze activisten houden zich al vele jaren met de Chinese politiek bezig, en enkelen van hen hebben dat duur betaald.

Lau San-ching is trotskist. Hij is bovendien een Chinese patriot, maar niet van het officiële soort. Begin jaren zeventig werd hij actief in de studentenbeweging tegen het kolonialisme in Hongkong en het 'bureaucratisme' in China. Eind jaren zeventig ging hij naar China, waar hij zich aansloot bij de activisten van de Muur van de Democratie, waartoe ook Wei Jingsheng behoorde. Zijn grote held was de marxist Wang Xizhe, die meende dat de Chinese Communistische Partij zo kon worden hervormd dat ze 'democratisch socialisme' zou voortbrengen. Voor dat opruiende denkbeeld werd Wang gevangen gezet, evenals Lau, die tien jaar in een Chinese gevangenis heeft doorgebracht. Nu is hij terug in Hongkong, waar hij een vakbond voor maatschappelijke werkers heeft opgericht.

Lau, een tengere, bezonnen man met een hoge stem, legde mij uit waarom hij eigenlijk patriottischer was dan de progressieve democraten, om van de tycoons maar te zwijgen. “Wij kunnen Hongkong en China niet los van elkaar zien”, zegt hij. “Wij moeten ze allebei kritiseren. De Chinezen zijn bang dat de progressieven Hongkong als een contrarevolutionaire uitvalsbasis zullen gebruiken. Maar eigenlijk zijn Martin Lee [de leider van de Democratische Partij] en de anderen bang voor China. Toen ik twintig jaar geleden naar China ging, ging ik als Chinees, niet als inwoner van Hongkong.” Volgens Lau bestrijdt hij in China en in Hongkong dezelfde vijand: een door de zakenwereld geleid autoritair bewind. Zakendoen in China, zegt hij, berust op connecties (guanxi) en corruptie, en hij heeft groot gelijk. Privatisering in China betekent verrijking van de partijleiders, werkloosheid voor de arbeiders. “Wij zijn nu zo dicht bij elkaar. Er is geen grens meer. China is zo groot, en de bedrijven hebben zulke goede connecties met de Chinese ambtenaren. Dus wat kunnen wij, als gewone mensen, zonder politieke vertegenwoordiging doen tegen guanxi en corruptie in de hogere regionen?”

Je zou niet zeggen dat Peking veel te vrezen heeft van iemand als Lau. Toch raken Lau en zijn bondgenoten de Chinese leiders op een gevoelige plek. De patriottische, communistische slogans klinken holler dan ooit wanneer ze onder vuur worden genomen door patriotten die het opnemen voor het welzijn van de arbeiders. Het welzijn van de arbeiders is namelijk een zeer pijnlijk punt, nu in de steden meer dan honderd miljoen Chinezen werkloos rondhangen. Van spontaan, door het volk gedragen patriottisme - wat iets heel anders is dan de officiële soort - krijgt Peking het benauwd. Toen in 1989 in Hongkong een miljoen mensen - één op de zes inwoners van het territorium - de straat opgingen om steun te betuigen aan de studenten op het Plein van de Hemelse Vrede, was dat niet alleen een uiting van politieke solidariteit maar ook van Chinees patriottisme. De demonstranten wilden een beter China. Lau stelt uitdrukkelijk dat de Communistische Partij niet het Chinese volk vertegenwoordigt, en daarin staat hij niet alleen.

Sedert meer dan honderd jaar zijn telkens weer uit de gratie geraakte Chinese regeringen belaagd door golven van volksnationalisme. Hongkong heeft in die rebellieën een belangrijke rol gespeeld, en zou dat opnieuw kunnen doen. Dat is de reden waarom Martin Lee van de Democratische Partij meent dat “in het geval van een tweede 'Plein van de Hemelse Vrede', de repressie in Hongkong sterker zal zijn dan in China”.

De overeenkomst die China met Hongkong heeft gesloten, die bekend staat als 'één land, twee systemen', houdt onder meer in dat de bevolking van Hongkong niets zal doen om de politieke status quo in China te ondermijnen. De advocaat Albert Ho is een vooraanstaande figuur in de Hongkong Alliance in Support of Patriotic Democratic Movements in China (Hongkongs verbond ter ondersteuning van patriottische democratische bewegingen in China). Die groep is verantwoordelijk voor de jaarlijkse herdenking in Hongkong van het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede.

Cyberspace

In zijn kantoor in het hart van Hongkong leg ik Albert de stelling voor dat zijn activiteiten ten behoeve van Chinese dissidenten en patriottische doeleinden wel degelijk subversief zijn ten aanzien van de regering in Peking. “Wel”, zegt Ho, “wij hebben nog altijd vrijheid van meningsuiting. Als Chinese medeburgers hebben wij het recht ons te bekommeren om China. En het is niet waarschijnlijk dat wij in Hongkong een volledige democratie krijgen zonder politieke liberalisering in China.”

Daarin heeft hij natuurlijk gelijk. Het probleem is dat Ho, evenals andere bekende progressieve en linkse figuren, China niet meer heeft kunnen bezoeken sedert in 1989 de opstand op het Plein van de Hemelse Vrede werd neergeslagen. De indruk van Hongkong die je krijgt uit gesprekken met mensen als Ho, is niet zozeer die van een geïsoleerde kapitalistische zone in een communistisch rijk, maar van een geïsoleerde enclave van progressief en links activisme. De enige boodschap die van de kolonie naar het hart van het rijk wordt doorgelaten, is die van het zakenleven. Toch is dat niet helemaal waar. Door de moderne technologie, vooral de fax en het Internet, is een volledig isolement niet meer mogelijk. Hoezeer de regering in Peking ook haar best doet om radiozenders te storen of toezicht te houden op websites, ze kan niet verhinderen dat mensen in China op de radio of in cyberspace praten met mensen in Hongkong.

Eén keer in de week kunnen miljoenen mensen in China afstemmen op Radio Free Asia om te luisteren naar een van de opmerkelijkste stemmen van Hongkong. Dat is de stem van Han Dongfang, die in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede de eerste onafhankelijke vakbond van China heeft opgericht. Zijn boodschap op het plein was dat het barre lot van de fabrieksarbeiders het grootste, gevaarlijkste probleem was dat China op zijn weg zou vinden. De studenten namen hem niet helemaal serieus - wat waren nu helemaal de zorgen van de arbeiders in vergelijking met die van de studenten? Maar de Chinese regering wist dat Han gelijk had, en dat hij dus heel gevaarlijk was. Hij heeft tweeëntwintig maanden in de gevangenis gezeten en er bijna het leven bij ingeschoten.

Daarna is Han voor medische behandeling naar de Verenigde Staten gestuurd - de beproefde tactiek wanneer een dissident al te beroemd wordt. Maar hij deed iets ongebruikelijks: hij keerde naar China terug. Toen hij niet werd toegelaten, besloot hij in Hongkong te blijven, ook na de overdracht vorig jaar, terwijl hij wist dat hij hoog op de lijst van vijanden van Peking stond.

Han woont met zijn vrouw en twee zoons op het eilandje Lamma niet ver van Hongkong. Het is er goedkoper dan in het centrum, en er wonen veel jonge westerlingen, journalisten en anderen die niet bij grote bedrijven op de loonlijst staan. Bij het vallen van de avond nemen wij samen de boot. Achter ons liggen de wolkenkrabbers van Hongkong, de internationale banken en hotels en hoofdkantoren van bedrijven, in een wolk van neonlogo's. Vóór ons ligt de met eilanden bezaaide oceaan, en daarachter de kust van China. Dáár weer achter strekt zich het reusachtige Chinese vasteland uit, met zijn zwalkende economie en dreigende chaos. Wij bevinden ons in China, maar zo voelt het niet. Han vertelt mij hoe vreemd het voelt om naar huis te gaan en de kerstdagen door te brengen samen met zijn kinderen, die cadeautjes zullen krijgen. Als kind in Peking, waar zijn moeder in de bouw werkte, heeft hij nooit één stukje speelgoed bezeten.

“Het allerbelangrijkste”, zegt hij plotseling fel, “is dat wij onszelf organiseren. Van de intellectuelen hebben wij niets te verwachten. De Communistische Partij was het werk van intellectuelen. Wíj hebben hen aan de macht geholpen. En wat is er van de arbeiders terechtgekomen? Wij zijn arm en worden onderdrukt.” Ik vraag hem of hij bang is om te worden gearresteerd. Hij antwoordt dat de overheid in Hongkong zich nog altijd aan de wet houdt. “Zolang dat zo blijft, ben ik niet bang. Ik overtreed geen wetten. Maar ik ben steeds op het ergste voorbereid.”

De volgende dag zegt een hoge ambtenaar mij: “Eén Han Dongfang in Hongkong is genoeg.” Dat zegt veel over het lastige parket waarin Hongkong verkeert. Vrijheid van meningsuiting wordt inderdaad nog altijd door de wet gegarandeerd, en de bestuurders van Hongkong maken zich geen zorgen over Hans activiteiten in Hongkong. Ze maken zich wel zorgen over wat China ervan denkt, want als China zich eraan stoort, loopt de vrijheid van Hongkong gevaar. En zelfs als China zich er niet aan stoort, biedt het feit dat dat zou kunnen gebeuren, de autoritaire figuren in Hongkong een ideaal excuus om mensen met afwijkende meningen kort te houden.

Voor mijn vertrek uit Hongkong ga ik langs bij de Hongkong Foreign Correspondents Club (Club van buitenlandse correspondenten in Hongkong). Op verschillende adressen heeft de FCC de nodige historische gebeurtenissen meegemaakt: de stroom vluchtelingen uit China in 1949, de rellen tijdens de Culturele Revolutie in de jaren zestig, een financiële crisis in 1984, toen Groot-Brittannië toezegde Hongkong aan China te zullen teruggeven, solidariteitsdemonstraties voor het 'Plein van de Hemelse Vrede' in 1989, de democratische hervormingen van Chris Patten in 1995, en ten slotte de overdracht in 1997. Journalisten - en zeker de oude Azië-rotten die in de bar van de FCC rondhangen - zijn doorgaans een cynisch volkje. Links en rechts hoor ik, van ervaren mannen die met half toegeknepen ogen over hun biertje turen: “Hier kun je het verder vergeten. De mensen verdienen geld. Meer willen ze niet. Afgelopen, uit.” Het zou kunnen. Toch denk ik dat het anders ligt en dat het verhaal van Hongkong nog maar pas begonnen is.

    • Ian Buruma
    • Vertaling Jaap Engelsman