Kunstbezit (3)

De Oostenrijkse minister van Onderwijs heeft nogal onverwacht de Oostenrijkse musea opdracht gegeven contact op te nemen met eigenaren en erfgenamen van kunstwerken die tussen 1938 en 1955 “onder moreel verdachteomstandigheden door de Oostenrijkse staat zijn verworven”. Daarbij pleitte ze, volgens het artikel in NRC Handelsblad, 28 februari, voor een ruimhartig teruggavebeleid van deze werken.

Inmiddels heeft Elisabeth Gehrer, de minister in kwestie, deOostenrijkse musea de taak uit handen genomen om door middel van zelfonderzoek onderzoek te verrichten naar de herkomst van de aanwezige kunstschatten. Reden: de resultaten waren niet overtuigend, bij voorbaat waren musea er al van overtuigd geen 'verdachte schatten' in huis te hebben.

Het is natuurlijk kwaadsprekerij, maar je zou dergelijke praktijken half en half verwachten in een land als Oostenrijk. Maar elders? Is Nederland in staat om dat anders te doen? Gaf staatssecretaris Nuis onlangs in deze krant niet aan 'nog maar enkele weken' nodig te hebben om tot een oordeel te komen inzake de affaire 'Goudstikker'? U weet wel: die man die in de meidagen van '40 halsoverkop naar Engeland vluchtte, zijn onschatbare kunstcollectie noodgedwongen achterlatend in Nederland, als een makkelijke prooi voor Duitsers en Nederlandse musea.

De staatssecretaris zou hetzelfde moeten doen als zijn Oostenrijkse collega: een onafhankelijke onderzoeks-coördinator aanstellen, excuses aanbieden voor tegenwerkende museumdirecties en ambtenaren, en zorgen dat erfgenamen van “onder moreel verdachte omstandigheden ontvreemde kunstschatten” zo snel mogelijk genoegdoening ontvangen. Hij heeft er nu tenminste weer de tijd (en het geld) voor, de Cézanne is immers (volgens een bericht op dezelfde pagina) miraculeus gered.