Italië belijdt de euro met de mond, niet met het hart

Deelname door Italië aan de euro betekent het einde van een tijdperk. De halfgesloten samenleving zal tot het verleden behoren. Ondernemingen zullen zich moeten aanpassen, leren te spelen met regels van anderen en concurrentie moeten aanvaarden. Italië kan straks hoofdrolspeler worden, maar dan moet de 'anti-Maastricht partij' wel van het toneel verdwijnen, vindt Sergio Romano.

De Europese gezindheid van de Italianen is op het eerste gezicht onbetwistbaar. Ze kunnen twijfels hebben over de bestuursvorm, over de doelstellingen en de kwaliteit van het beleid. Maar van de noodzaak van de Europese integratie en de noodzaak dat Italië vanaf de eerste dag deel uitmaakt van de monetaire unie, zijn ze volledig overtuigd. Er is niet één opiniepeiling onder Italianen die dit niet lijkt te bevestigen. Wanneer de noten van Europa opklinken, springen de Italianen overeind en leggen de hand op hun borst. Maar zijn we er wel zeker van dat het enthousiasme in de Italiaanse publieke opinie voor de eenheid van het continent echt is? Zou dat niet in veel gevallen een nieuw 'katholicisme' zijn dat wordt beleden uit conformisme, of voor alle zekerheid?

Als we de antwoorden op de vragenlijsten even vergeten en oordelen op basis van het werkelijke gedrag, wordt het beeld enigszins anders. Er bestaat in Italië een sterke anti-Maastricht partij die door heel de samenleving loopt, van rechts naar links. Zij heeft geen ideologie of programma, zij heeft alleen maar belangen die ze wil verdedigen en voorrechten die ze wil beschermen. Haar leden weten dat de Europese Unie niet alleen maar een gemeenschappelijke munt betekent. Het betekent dat Italië niet meer een half-gesloten samenleving zal zijn, beschermd door reglementen en door de statuten van zijn corporatistische autarchieën.

Van de grote Westerse democratieën zijn wij degenen die zich de afgelopen twintig jaar het meest hebben verzet tegen de eisen van modernisering. Andere Europese samenlevingen hebben de noodzaak om zich te vernieuwen aanvaard. Maar wij hebben ons steeds verder teruggetrokken binnen een neofeodalistisch en neocliëntelistisch systeem waarin het aannemen van mensen coöptatie is, de universitaire leerstoelen baronieën, de magistraten niet over te plaatsen en niet te kritiseren zijn, de corporaties onaantastbaar, en de nutteloze staatsbedrijven niet ophefbaar.

De filosofie van dit neofeodalisme is simpel: de corporatie telt meer dan de nationale samenleving, het eigenbelang weegt zwaarder dan het algemene belang.

De inwijding in het feodalisme begint in de familie, wordt vervolgd op de scholen en de universiteiten, en gaat door in de bedrijven, op de ministeries, in de vakbonden.

Als we lid worden van de monetaire unie zal ieder onderneming, overheidsbedrijf, dienst en beroepsgroep zich moeten aanpassen, leren te spelen met de regels van de anderen, en de daaruit voortvloeiende concurrentie daarvan moeten aanvaarden.

Als we deel uitmaken van de EMU zullen, door de werking van de euro en de gemeenschappelijke markt, de ringmuren instorten die veel Italianen hebben gebouwd rondom hun moestuintje.

Daarom moet het gevecht wat verscholen in de achterhoede worden gevoerd. In een ander land zou de anti-Maastricht partij in de openbaarheid zijn getreden en haar verzet hebben laten horen. Bij ons zijn haar leden aanhangers van de Europese gedachte op de manier waarop veel Italianen katholiek zijn.

Ze geven er de voorkeur aan zich in het openbaar voor te doen als Europeaan en privé hun corporatistische en cliëntelistische zondes te blijven begaan. Maar dat is hun niet genoeg. Als ze hun slechte gewoontes willen verdedigen, vinden ze altijd wel een partij of een vakbond die hen beschermt.

Vakbondsleider Sergio Cofferati is Europeaan, maar stelt zich op het voorzichtige standpunt dat de spoorwegen het ontslag moeten terugnemen van de twee machinisten die betrokken zijn geweest bij een spoorwegongeluk in La Spezia, vorig jaar november. Realiseert hij zich wel dat efficiëntie, hard beleid en gemeenschappelijke markt synoniemen zijn?

De rechtse oppositiepartij Forza Italia hangt de Europese gedachte aan, maar steunt de winkeliers wanneer die zich verzetten tegen de liberalisering van hun sector. De partij Communistische Heroprichting steunt met haar stemmen een Europa-gezinde regering, maar verdedigt hardnekkig al de minst Europese structuren van de Italiaanse economie.

De regering is Europa-gezind, maar gaat ermee akkoord dat een wet op de agenda wordt gezet over de 35-urige werkweek die volslagen onverenigbaar is met de regels van de open markt. Iedereen wil privatiseren, maar de gang naar privatisering is een race vol gaten en valkuilen. Pas nog, toen hij de goede resultaten presenteerde die de regering heeft behaald met het terugbrengen van het overheidstekort, zei de premier met een toon van zelfvoldaan nationalisme: “Het zou goed zijn als de anderen ook eens examen deden.” Het probleem is dat elders deze examens in modern-zijn (uiteindelijk het enige waarvan afhangt of een land zich kan handhaven in de monetaire unie) al zijn afgelegd en al lang zijn gehaald.

De anti-Maastricht partij is niet heel Italië. Maar het is het blok aan het been van het dynamische, ondernemende Italië. Het is de factor die het land dwingt om in het grote theaterstuk van de Europese eenheid de rol van de eeuwige karikaturale zonderling te spelen. Het is de oorzaak van de kloof die gaapt tussen het buitengewone potentieel van de Italiaanse samenleving en de middelmatigheid van onze internationale positie.

Het is de schuld van deze partij dat Italië voortdurend gedwongen is achter de anderen aan te strompelen in plaats van hen te vergezellen en, waarom niet, voor hen uit te lopen.

De anti-Maastricht partij heeft geen ambities: zij heeft alleen maar belangen. Zij kan ons niet verhinderen te verlangen naar de monetaire unie, maar zij kan ons verhinderen daarin hoofdrolspeler te zijn.

Als zij niet wordt uitgerookt en verslagen, zal zij Italië verhinderen om ambities te koesteren die overeenstemmen met zijn grootte en zijn gewicht.