In de sauna

H.P.L. Wiessing, ooit hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, beschrijft in zijn memoires Bewegend Portret hoe een kleine honderd jaar geleden een verkiezingsavond verliep. In Amsterdam had zich ter gelegenheid van de verkiezingen van 1901 traditiegetrouw een grote menigte opgewonden en geestdriftige burgers verzameld op de Nieuwezijds Voorburgwal tegenover het Algemeen Handelsblad dat de binnenkomende resultaten wereldkundig maakte.

Ook de marxistische dichter Herman Gorter (Wim Kok zou hem 'extreem links' hebben genoemd) bevond zich onder het publiek, met naast zich zijn sociaal-democratische partijgenoot A.B. Soep. Omdat de SDAP haar zetelaantal had verdubbeld (van drie naar zes) zetten de aanwezigen spontaan de Internationale in. Allen, ook Herman Gorter, zongen volgens Wiessing “op de adem van hun ontroering mee”. Bij het met groot volume ten gehore gebrachte refrein 'en d'Internationale zal morgen heersen op aard', zei Soep tegen de boven hem uit torenende dichter: “Morgen? Volgende week is ook goed!” Gorter liep rood aan van woede en riep: “Schaam jij je niet!”

Niet bekend

Tegenwoordig stromen de kiezers niet meer samen en verzamelen alleen de kandidaten met hun directe aanhang zich rond de lijsttrekkers. Men bespreekt de door marktonderzoekers geprogrammeerde computerprognoses, die de plaats innemen van echte resultaten. Uitslagen laten namelijk op zich wachten en lijken er eigenlijk niet zoveel toe te doen.

In Nijmegen, Den Haag, Leiden en Amsterdam waren woensdagavond tot na middernacht nog geen eindresultaten beschikbaar. Wie aangewezen is op de snelheid van de computer, moet zich oefenen in het geduld dat een Gorter zo spectaculair ontbeerde.

Het meest bizar was de situatie in Amsterdam, waar de uitslagen ernstig vertraagd waren door een storing in een hoofdcomputer. Laat op de avond verscheen burgemeester Patijn voor de lokale televisie met de mededeling dat de enige persoon in de hele stad die de storing mogelijk kon opheffen helaas in de sauna zat. Op de enige avond in vier jaar dat zo'n figuur voor de gemeente beschikbaar moet zijn, gaf diens geheimzinnige afwezigheid - verantwoordelijk wethouder Jikkie van der Giessen hecht eraan te ontkennen dat de man van het computerbedrijf in de sauna zat - aardig aan welk belang de gemeente aan verkiezingen toekent.

“Het is vreselijk”, gaf de burgemeester toe. Voor straf dreigde hij de firma die de software voor de verwerking van de stemmen had geleverd niet te betalen. Zou Patijn denken dat hij dit bewijs van onverschilligheid jegens de kiezers boekhoudkundig goed kan maken?

Onverschilligheid in vrijwel alle opzichten kenmerkte de gemeenteraadsverkiezingen. Toen ik tegen zessen mijn stem uitbracht in een naar een oude socialistische onderwijzer genoemde basisschool in de Jordaan en informeerde naar het opkomstpercentage, antwoordde de voorzitter van het stembureau : “Dat is heel goed. Eenderde van de vierhonderd kiesgerechtigden heeft al gestemd.” Heel goed, 33 procent opkomst? Ja, voor hem misschien, dan was-ie snel klaar met tellen. Maar zelfs dat tellen wilde achteraf niet lukken.

Vroeger, en dan heb ik het niet over 1901, maar over pakweg twintig jaar geleden, gold het stemmen tellen als een soort plechtig feest van de democratie. Betrokken kiezers, meestal actieve leden van politieke partijen, maakten gebruik van het recht om zich na zeven uur in een stembureau te laten 'insluiten'. Er werd soms wel vijf keer nageteld, maar desondanks was de complete uitslag - zonder hulp van een computer - binnen twee uur bekend.

Er moet een verband zijn tussen de extreem lage opkomst en de extreem late uitslag. De Amsterdammers stonden woensdag van alle Nederlanders het onverschilligst tegenover de verkiezingen. Nog niet de helft (45,7 procent) van de kiesgerechtigden nam de moeite, bijna vijftien procent minder dan het landelijk gemiddelde. Niettemin duurde het tot 1 uur 's nachts voor dit relatief kleine aantal stemmen geteld was. In Den Haag, met een eveneens schamele opkomst van 48,2 procent, was men pas om vier uur 's nachts uitgeteld. Hoe minder stemmen er zijn uitgebracht, hoe minder belang er kennelijk aan wordt gehecht en hoe minder haast er wordt gemaakt.

Maar dat is toch de schuld van de computers? Ach kom nou toch. Geldt ook hier niet het primaat van de politiek? Moet een gemeentebestuur er niet voor zorgen dat de verkiezingen glad verlopen en dat er op tijd betrouwbare uitslagen binnen zijn? Het is gewoon een kwestie van betrokkenheid en organisatie: hoeveel ambtenaren die kunnen tellen heeft een grote gemeente in dienst, hoeveel informatica-experts die weet hebben van backups van computerprogramma's, hoeveel organisatiedeskundigen die een eenvoudig proces als een stemming kunnen besturen. Als het van belang is, houdt men generale repetities en liggen er noodscenario's klaar. Het punt is, dat de verkiezingen ook volgens de bestuurders niet interessant genoeg zijn om zich druk over te maken. Wat verwacht men dan van de kiezers?

Pas toen de meeste Amsterdammers al sliepen, konden de belangrijkste lijsttrekkers voor de lokale televisie de balans opmaken. De voorlieden van PvdA, VVD en het gehavende D66 maakten duidelijk dat wat hen betreft de verkiezingen niets zullen veranderen aan het stadsbestuur. Ondanks de halvering van D66 en de winst van GroenLinks, SP en Groenen blijft de paarse samenstelling van het college van B en W als het aan hen ligt onveranderd.

Vandaar dat die stemmen niet zo nodig geteld hoefden te worden en vandaar dat over vier jaar waarschijnlijk nog veel meer mensen de sauna zullen verkiezen boven het stemhokje.