Hollands Dagboek; Niek Biegman

Niek Biegman (61) is sinds januari de Nederlandse vertegenwoordiger bij de NAVO. Deze week was hij met Kofi Annan in New York, bracht hij de nacht door bij het Nederlandse contingent in Bosnië en deed hij tussendoor Brussel aan voor vergaderingen. Biegmans vrouw Mira komt uit de kuststreek van Kroatië.

Woensdag 25 februari

New York, 14.30 uur. Het tijdsverschil van zes uur tussen Brussel en hier heeft een abrupt eind gemaakt aan mijn slaap. Gelukkig heb ik in mijn tas een boek dat onlangs is uitgekomen en dat allang had moeten worden geschreven: Triumph of the Lack of Will van James Gow, over hoe de internationale gemeenschap het tussen '91 en '95 liet afweten tijdens de agressie en de genocide die volgden op het uiteenvallen van Joegoslavië. Dat was vooral een gebrek aan wil om militair iets te doen.

06.55 uur. Op C-SPAN het staartje van de heruitzending van de persconferentie van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties gisteren. Voor een eindoordeel verwijst Kofi Annan naar de Veiligheidsraad: 'Geef de Keizer wat des Keizers is. I have done my job.' Buiten wordt het licht. Gele taxi's rijden beneden, op Sixth Avenue. De tv gaat terug naar Clinton, Starr en Monica Lewinsky.

08.30 uur. Deze dag staat in het teken van de fotografie. Kofi Annan bezoekt vanavond de tentoonstelling van World Press Photo, die na jarenlange strijd met het VN-apparaat eindelijk te zien is bij de Verenigde Naties. Dat is voornamelijk te danken aan Annan, die onbevangener aankijkt tegen de wereld en tegen de kritiek die sommige landen zouden kunnen hebben op sommige foto's dan zijn voorganger Boutros Ghali. Ik ben er in mijn vorige leven als vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties nogal mee bezig geweest en WPP was zo vriendelijk mij een ticket te sturen om er bij te zijn.

Op de Nederlandse vertegenwoordiging (de 'Missie' zoals we die noemen) is een telefoontje binnengekomen van het Kabinet van de SG. Hij is uitgeput van zijn reis naar Irak en moet thuisblijven van de dokter.

12.20 uur. Al een tijdje lang zie ik mensen op straat lopen met zwartigheid op hun voorhoofd. Hoe dichter we bij de kathedraal van St. Patrick komen hoe meer het er zijn. De zwartigheid blijkt een kruisje, en jawel, natuurlijk, het is Aswoensdag. Afgelopen weekend was het in België al een vrolijke boel, en daarvoor boeten ze nu in New York. Ik houd van vreemde godsdiensten.

18.15 uur. Langs First Avenue wapperen voor het VN-gebouw in alfabetische volgorde de vlaggen van de 185 lidstaten, plus de enige oude Joegoslavische vlag - blauw-wit-rood met rode ster - die bij mijn weten wereldwijd nog ergens te bewonderen valt. Dat komt doordat in september '92 het kapotte Joegoslavië, dat alleen nog Servië en Montenegro vertegenwoordigde, in verband met wangedrag in Bosnië wel uit de Algemene Vergadering werd gestemd, maar niet helemaal uit de organisatie als geheel; één van de vreemde comprissen die in die tijden zo rijkelijk vloeiden uit de koker van de VN. Zo bleef de vlag hangen, ook nadat Servië en Montenegro zich een nieuw dundoek hadden aangemeten, want dit nieuwe, kleine Joegoslavië moet eerst het lidmaatschap aanvragen voor het kan toetreden tot de VN, en dat is om allerlei redenen nog niet gebeurd.

De tentoonstelling staat perfect opgesteld in een ruimte gelijkvloers in het VN-gebouw. Ook WPP-voorzitter Harry Groen is er, op een nog kortere trip dan de mijne. Zoveel ellende als op deze foto's staat is hier nog nooit te zien geweest. De altijd een beetje gezapige organisatie hield het graag op vrede, ontwikkeling en dankbare kindergezichtjes, maar zo zit de wereld zo niet in elkaar. “A breath of fresh air!”, zegt een hoge VN-functionaris.

18.45 uur. Er worden een paar speeches afgestoken waarvan één uit naam van Kofi Annan, en dan komt deze plotseling zelf door een deur achterin de grote ruimte, met zijn vrouw Nane. Ik vang ze op, hij wordt ook hier als een held ingehaald en Harry leidt ze rond. Kofi is nog moe, ze blijven maar even, maar hij vindt het schitterend en de avond kan niet meer kapot. We gaan nog wat eten, en om half tien neem ik een taxi naar het vliegveld.

Vrijdag

Brussel, 20.00 uur. Ik maak hier maar een om-de-dagboek van, anders ben ik voor het weekend door mijn 2000 woorden heen. Over kantoordagen zoals gisteren en vandaag valt trouwens weinig boeiends te schrijven, hoe boeiend het ook is voor degene die het doet. Het is lezen, luisteren, spreken, schrijven en vergaderen in hoog tempo en met nauwelijks onderbreking van negen tot kwart over zeven/half acht. Meestal haal ik thuis het nieuws van acht uur. Wat overdag niet gelezen kan worden gaat mee naar huis voor het weekend. Voor de goede orde: ik heb er veel plezier in.

De 'nieuwe NAVO' blaakt van zelfvertrouwen en bereidt zich welgemoed voor op haar 50-jarig bestaan volgend jaar april. Een jaar of drie-vier geleden heet er een inzinking te zijn geweest, maar het arme Bosnië heeft ons weer helemaal boven Jan gebracht. De Amerikanen, die Europa in deze eeuw al drie keer (twee wereldoorlogen en Bosnië) uit de modder hebben getrokken, houden de hoofdlijnen stevig in de hand. De NAVO is de enige internationale organisatie met een zo duidelijke leider. Hoewel dat soms wat ergernis geeft, denk ik dat zij daar zeer van profiteert. Er komt resultaat uit, en vaak tamelijk snel.

Zaterdag

Brussel, 12.47 uur. Mira stapt op de trein naar haar dorpje in Dalmatië dat uitziet over de bergen van Bosnië en Herzegovina, om twee weken haar moeder te zien en rozen te planten. Het dorpje bleef in '91-'92 net onverwoest, doordat de Serviërs en Montenegrijnen op hun plundertocht door het kustgebied van Dubrovnik op 25 kilomter ervandaan konden worden tegengehouden. Ze bleven daar zes maanden. Zes maanden lang luisterden ze in Janjina naar de kanonnen en stuurden ze hun zoons naar de schuttersputjes in Ston. Wij zaten zelf in Nederland met het zweet in onze handen. In mei was het pas afgelopen.

Zaterdag-leesdag. Achterstalligs van de afgelopen week, een dossiertje over Bosnië, de NAVO-operatie SFOR aldaar en het Nederlandse contingent waar ik morgen op bezoek ga, en stukken over de conferentie die ik eind volgende week op Jan Pronks verzoek voorzit in Amsterdam. Die gaat over de moeder der problemen, namelijk het bevolkingsprobleem, en wordt onder de toepasselijke naam Caring for the Future gehouden in de Beurs van Berlage.

Zondag

Sarajevo, 15.45 uur. We zijn op weg naar Centraal-Bosnië, waar het Nederlandse SFOR-contingent actief is. Langs de straten van de stad staan palen met de nieuwe Bosnische vlag, ontworpen door Jos Poels: blauw met een gele driehoek die ongeveer de vorm van Bosnië heeft, en een aantal witte sterretjes. Hij was net klaar voor de Olympische Winterspelen, en alle drie de Bosnische volkeren - moslims, Kroaten en Serviërs - vinden hem ongeveer even lelijk. Een mooie oplossing derhalve van een lastig probleem. Ik heb dierbare herinneringen aan Sarajevo. In de winter van 60-61 leerde ik er 16de-eeuwse Turkse documenten lezen aan het Oriëntalistisch Instituut, waar ze dat heel goed konden. Dat had ik nodig om aan mijn dissertatie te kunnen werken, in het archief van de oude Republiek Dubrovnik. Er lag die winter veel sneeuw, ik leerde een derwisj-sjeik kennen met ogen van een helderheid die ik sindsdien nog maar één keer (bij een jachtvlieger op de basis Keflavik) heb gezien, en ik kwam terecht in een gezelschap Bosnische studenten die zodra ze hoorden waar ik vandaan kwam een scabreus Leids lied aanhieven, opgestoken van een vorige bezoeker. Een bijzondere stad. Gelukkig staat het gedeelte dat in die tijd al bestond nog, of weer, goeddeels overeind. De grote verwoestingen zijn aangericht in de nieuwere wijken, helaas met inbegrip van het instituut waar ik studeerde.

Busova, 17.30 uur. De Nederlandse contingentsstaf huist met zijn zeventigen in en bij een oud houten hotel (thans Hotel Nunspeet genaamd). Mijn militaire adviseur, de kolonel Ton Strik, en ik slapen VIP op de tweede verdieping. Uit het dakraam hangt een touw tot aan de eerste verdieping, en dan weer een ander touw tot op de grond voor als het zaakje in brand vliegt. Wij krijgen te eten, en worden de rest van de avond gebrieft over organisatie, taken en geografie. Het gebied is 80 x 30 km groot, en ligt zowel in moslims-Kroatisch als in Servisch gebied. Het wordt bestreken door alles bij elkaar een 1.200 Nederlandse militairen, die minstens zes dagen werken, van 's ochtends 8 tot vaak 10 uur 's avonds. De NAVO is er niets bij. Het hoogtepunt van de afgelopen maanden was het oppakken van twee Bosnisch-Kroatische oorlogsmisdadigers door een speciaal ingevlogen Nederlandse eenheid, en het binnen 24 uur weer tot rust brengen van de enigszins opgewonden geraakte Kroaten in het gebied. Er wordt 7,5 miljoen liter brandstof per jaar verreden. Als een vrachtwagenkonvooi plaspauze houdt doe je het op de weg en niet in de berm, want daar liggen mijnen. Overal kunnen ze zijn, niemand weet precies waar. Dezer dagen is weer een herder de lucht ingevlogen met zijn schaap.

Maandag

Van 's morgens acht tot half elf 's avonds zijn we, allemaal in het groen gestoken, op weg door Midden-Bosnië; Ton en ik, de brigade-generaal Boonstra, één van de souschefs van de Defensiestaf, nog vier mensen van Defensie en dan nog vier bodyguards. We worden overal allerhartelijkst ontvangen: in va op de berg VlaEÉc, waar de bataljonsstaf zetelt in het vroegere skihotel Babanovac. In Skender Vakuf - dat de Serviërs na ieder ander eruit gezet te hebben omgedoopt hebben tot Knevo. Hier zit in een oude cornflakesfabriek het team dat werkt onder de boertjes en werklozen die de bevolking uitmaken van het 'Nederlandse' deel van Republika Srpska. In Pavlovi, waar onder leiding van een vaderlijke adjudant een tiental manschappen verblijft op een berg boven Jajce bij een grote radar, en opnieuw in va, waar men eet, drinkt (Berenburg) en vrolijk is met de Bulgaarse minister van Defensie, die er zijn peloton bezoekt dat ingedeeld is bij de Nederlanders.

In de loop van de dag doemen de contouren op van een vriendelijke bezettingsmacht, die niet zonder succes probeert iets behoorlijks tot stand te brengen in haar gebied; zowel door de veiligheid te verzorgen als door de terugkeer voor te bereiden van vluchtelingen en projecten te identificeren die met geld 'van Pronk' worden uitgevoerd: een ziekenhuis, straatverlichting, schooltjes, een bruggetje naar het schooltje zodat de kindertjes geen anderhalf uur meer hoeven te lopen. Er mag nu per zes maanden 2 miljoen D-mark worden besteed. Het is goed dat SFOR nog een tijdje blijft. Het was goed voor mij om van dichtbij te zien waar we mee bezig zijn. Bosnië is een wekelijks hoofdpunt in de NAVO-Raad.

Dinsdag

08.45 uur. Vertrek uit Busova. Van de contingentscommandant Van Hoof krijg ik het afscheidscadeau: een leeg kippenei, door een blinde man in het dorp voorzien van een metalen hoefijzertje, met in het Servo-Kroatisch het opschrift 'de vrede is breekbaar'. De rest van de dag: bijpraten in Sarajevo met deze en gene. Om zes uur zijn we in de lucht, om tien uur op Valkenburg, tegen één uur thuis afgeleverd door de chauffeur Lemmers.

Woensdag, 4 maart

Brussel, 09.00 uur. Vandaag vergaderen zoals iedere week de ambassadeurs bij de NAVO, als 'Noord-Atlantische Raad'. Hoofdpunt is naast Kosovo en Irak, Bosnië. De heldere vrieskou van de Oost-Westverhouding die ik mij zo goed herinner is uit de lucht. De ronde vergadertafel is onlangs vertimmerd voor Polen, Tsjechië en Hongarije. Wie tien jaar geleden had durven te beweren dat in 1998 deze drie Sovjet-satellieten voor het lidmaatschap zouden worden klaargestoomd, was vierkant uitgelachen. En daar zitten ze. Naast hen, en recht tegenover mij, zit Javier Solana, die nog gedemonstreerd heeft tegen het lidmaatschap van Spanje. Nu is hij zelf secretaris-generaal van diezelfde organisatie. Met zijn intellectuele baardje lijkt hij precies op Towpik de Pool. Zelf bracht ik ooit mijn eerste stem uit op de PSP, die in die jaren vijftig ook niet verkikkerd was op de alliantie. Kortom, het kan verkeren. Waar zijn we over tien jaar? Denk niet, lieve lezer, dat u daar enig idee van hebt!

Amsterdam, 19.00u. Weer een diner in het kader van de uitbanning van de armoede. Ditmaal bereiden we ons met sprekers en voorzitters voor op de conferentie van morgen, in de Beurs van Berlage. Het zal waarachtig wel gaan. Als ik iets moet voorzitten denk ik altijd aan Luns die ik het eind jaren zeventig zag doen in de NAVO-raad, met zijn rode kardinaalssokken aan. Hij was een begenadigd voorzitter, die zijn ministers en ambassadeurs wakker hield door ze de hele tijd net niet te beledigen. Ik blijf hem dankbaar voor zijn goede voorbeeld.