Het Westen is niet in staat in Kosovo vrede te stichten

Het is niet in het belang van de Servische president Slobodan MiloviEÉc dat het conclict met de Albanezen in Kosovo zich uitbreidt. Daarvoor is zijn positie momenteel te wankel. Jonathan Eyal is daarom van oordeel dat het Westen in deze provincie weliswaar geen vrede kan stichten, maar wel goede kansen heeft om de gewapende strijd tot dit gebied beperkt te houden.

Na de uitbarsting van bloedig geweld in de Joegoslavische provincie Kosovo lijken de ergste prognoses voor de Balkan uit te komen: na de slachtingen in Kroatië en Bosnië dreigt nu Joegoslavië zelf aan oorlogsgeweld ten prooi te vallen. En bij uitzondering lijkt het Westen de ernst van de situatie te beseffen. Alsof het afgesproken werk was, hebben de Europese Unie en de Verenigde Staten de Joegoslavische machthebbers te verstaan gegeven dat ze onderhandelingen met de bevolking van Kosovo moeten beginnen, of de economische en politieke sancties die Joegoslavië tot de paria van Europa hebben gemaakt, zullen worden gehandhaafd. Robin Cook, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, heeft deze boodschap deze week aan de Joegoslaven overgebracht, en komende maandag bespreken de Europeanen, de VS en Rusland eventueel te nemen maatregelen.

Maar helaas, en niet voor het eerst, heeft het beleid dat het Westen voorstaat geen enkele kans van slagen. Verder geweld in Kosovo is praktisch onvermijdelijk, al zal het misschien niet zo hevig zijn als in de voorgaande Joegoslavische oorlogen.

Kosovo is altijd het neteligste probleem van Joegoslavië geweest. Het omvat een historisch grondgebied dat voor Serviërs als heilig geldt, maar dat in overgrote meerderheid wordt bevolkt door etnische Albanezen. De zaak wordt er nog ingewikkelder op doordat ook in het aangrenzende Macedonië een aanzienlijke Albanese gemeenschap leeft, en doordat beide gemeenschappen tegen de grens met de Albanese staat aan wonen. Kortom, een verlegging van grenzen is niet alleen mogelijk maar ook nog logisch.

Westerse regeringen, die het uiteenvallen van Joegoslavië per se wilden voorkomen, hebben altijd staande gehouden dat de Albanezen in Kosovo wel autonomie moeten krijgen, maar dan binnen de staat Joegoslavië. Eind jaren tachtig was dit een logisch standpunt: de leider van de de Albanezen in Kosovo was Ibrahim Rugova, een gematigd man die wel met de Joegoslavische autoriteiten wilde onderhandelen. Maar Slobodan MiloviEÉc, de leider van de Serviërs en de sterke man in Joegoslavië, negeerde niet alleen Rugova's voorstellen maar deed juist extra zijn best om de Albanezen eronder te houden. De autonomie die de provincie krachtens de Joegoslavische grondwet genoot, werd officieel afgeschaft, Servische eenheden werden op provocerende wijze overal in de regio gestationeerd, en uit Kroatië verdreven etnische Serviërs werden gedwongen zich in Kosovo te vestigen met het uitdrukkelijke doel de bevolkingssamenstelling te beïnvloeden.

Inmiddels is duidelijk dat dit beleid een aperte mislukking is geworden. De Serviërs die in Kosovo werden gehuisvest, vertrokken weldra weer, deels omdat de provincie straatarm is en deels vanwege de vijandige bejegening door de Albanese bevolking. Belangrijker nog was dat de gematigde Albanese leiders die bereid waren tot een compromis, het vertrouwen van hun achterban verloren. Eerder dit jaar verscheen een voorheen onbekend “Bevrijdingsleger van Kosovo” (UÇK) op het toneel met de uitdrukkelijke bedoeling de Joegoslavische machthebbers door terreur te verdrijven. Alleen al het afgelopen weekeinde zijn bij diverse incidenten twintig burgers en militairen gedood.

In hun verlangen verder geweld te voorkomen hebben westerse regeringen nu hun bemiddelingsaanbod herhaald, met daarbij het advies dat Kosovo nu eindelijk zijn verlangde autonomie moet krijgen. Dat is ondoelmatig beleid zonder een kans van slagen. Autonomie is alleen zinvol in landen waar een rechtsstaat heerst, en dat is in het huidige Joegoslavië nu juist niet het geval. Bovendien is het moment dat zulke akkoorden konden worden gesloten allang voorbij: de Serviërs zijn niet bereid tot enige maatregel die twijfel zou kunnen zaaien aan het duurzame behoud van de provincie, terwijl de Albanezen inmiddels volledige onafhankelijkheid eisen. En tot slot beschikt het Westen over geen van de middelen die nodig zijn om Joegoslavië tot luisteren te bewegen. De economische sancties waaraan Joegoslavië nog altijd is onderworpen, zijn gekoppeld aan het gedrag van de Serviërs in Bosnië, waar een contingent westerse troepen onder NAVO-commando nu nog de schijn van vrede ophoudt. President MiloviEÉc zit te springen om opheffing van de sancties. Maar hij weet ook dat het Westen geen troebelen in Bosnië wenst. Er ontrolt zich dus een klassiek geval van Servische chantage: hoe meer het Westen Servië prest zich in Kosovo te gedragen, hoe minder de Serviërs tot samenwerking in Bosnië bereid zullen zijn.

Waar thans voor gevreesd wordt, is dat het geweld in Kosovo overspringt naar Macedonië, Albanië en andere gebieden op de Balkan. De kans dat dit nu al gebeurt is echter klein. Albanië zelf is juist herstellende van de burgertwisten die het land vorig jaar vrijwel verscheurd hebben. De situatie in Macedonië is zorgelijk, maar een contingent VN-vredestroepen moet ervoor kunnen zorgen dat het bloedvergieten zich niet naar deze wankele staat uitbreidt. Bulgarije en Griekenland, twee landen met belangen in de crisis, worden in beslag genomen door binnenlandse kwesties en staan onder leiding van verantwoordelijke, democratische regeringen met de vaste wil om de oude Balkantwisten achter zich te laten. Maar belangrijker is dat president MiloviEÉc dezer dagen duidelijk een stuk zwakker staat. Hij heeft de Bosnische Serviërs nauwelijks meer in de hand, heeft de oorlog in Kroatië verloren en zal wellicht ook de controle over Montenegro kwijtraken, ook een deel van de huidige Joegoslavische federatie. Het is dus niet in MiloviEÉc' belang wanneer het conclict in Kosovo zich uitbreidt. De - voorlopige - conclusie moet luiden dat het Westen het geweld in Kosovo weliswaar niet kan bedwingen, maar goede kansen heeft om de gewapende strijd tot deze provincie beperkt te houden.

Voor Kosovo zelf en de Serviërs in Joegoslavië ziet de toekomst er echter nog altijd somber uit. De Serviërs hebben al een grootscheepse militaire operatie op touw gezet om het UÇK-terrorisme de kop in te drukken. Die operatie zal falen, omdat het UÇK steun geniet onder de jonge Albanezen in Kosovo en al vaste voet aan de grond heeft in dit bergachtige, voor een guerrilla ideale gebied. De volgende stap wordt wellicht de oprichting van Servische paramilitaire formaties om de bevolking van Kosovo te terroriseren - het soort 'onafhankelijke' strijders dat de afgelopen zes jaar verantwoordelijk is geweest voor de meeste oorlogsmisdaden in Kroatië en Bosnië. Ook zij zullen falen. Vroeg of laat zullen de Serviërs erachter komen - zoals de Israeliërs moesten ontdekken in de Palestijnse bezette gebieden - dat een bevolkingsgroep zich door geen geweld zal laten afhouden van haar streven naar onafhankelijkheid en dat het behoud van Kosovo hun krachten te boven gaat.

Het zou prettig zijn als dit bloedvergieten zou kunnen worden voorkomen. Maar de enige politiek die nog reële hoop op het voorkomen van geweld biedt, is het stationeren van westerse troepen in Kosovo. De kans dat dat gebeurt, is vrijwel nihil. President MiloviEÉc houdt vol dat Kosovo zijn binnenlandse aangelegenheid is. Hij zal nooit de aanwezigheid van een internationale troepenmacht op Joegoslavisch grondgebied tolereren, en als die er toch komt, zal ze tegen de Serviërs moeten vechten, waardoor ook de oorlog in Bosnië weer zal ontbranden. Geen westerse regering is bereid een dergelijk alternatief te overwegen. Iedereen zal dus politieke 'oplossingen' blijven aandragen, waarvan politici weten dat ze kansloos zijn.

President MiloviEÉc van Joegoslavië heeft altijd met het zwaard geregeerd. Hij is vast besloten dat te blijven doen. Maar de crisis in Kosovo werpt ook grote vragen op over de manier waarop westerse regeringen met noodsituaties omgaan. Al sinds het begin van de Joegoslavische oorlogen, begin jaren negentig, stellen Europese leiders dat ze in de toekomst dergelijke crises zullen zien aankomen en ze zullen bezweren voordat het tot geweldsuitbarstingen komt. Kosovo was wel zo'n beetje het meest voorspelbare probleem in het Balkangebied. Maar er is niets ondernomen, en zoals steeds staan we ook nu weer voor de taak een crisis 'op te lossen' terwijl die al is uitgebarsten en vreedzame oplossingen niet meer mogelijk zijn.