Het epitheton 'bijzonder'

De universiteiten hebben een hekel aan mij. Helaas is het niets persoonlijks, want dat zou ik - net als Tijl Uilenspiegel - nog kunnen begrijpen. Het is een afkeer van mijn soort, verneem ik uit de kranten. De soort die al twee jaar geleden door de Groene Amsterdammer zo vindingrijk met etalageprofessor werd aangeduid: de 'bijzondere hoogleraar'.

Hoe zit dat? Een aardige Stichting, zoals er talloze zijn, stelt zich ten doel schrale plekken in het onderwijsaanbod bij te pleisteren. Ze bieden mij een leerstoel aan, maar verder helemaal niets: geen salaris, zelfs geen reisgeld; toga, bef en baret uit eigen zak te betalen. De universiteit waar ik als docent op de loonlijst sta leent me voor een dag uit aan die andere toko.

Zodoende geef ik tweemaal zoveel colleges als een echte hoogleraar, voor de helft van het geld. Deze productiviteitsverhoging van driehonderd procent doet geen commercieel bedrijf de universiteiten na. Als zo'n constructie zelfs maar bij benadering in vakbondsland zou opduiken, brak Europabreed zozeer de pleuris uit dat 1848 daarbij vergeleken een lolletje zou zijn.

En zo zijn er honderden bijzonderen. Waarom laten wij ons dat aanleunen? Bij gebrek aan beter, uit ijdelheid, en omdat je dan van het vernederende gedonder af bent om je jongvolk te zien promoveren bij een ander die toevallig wel de juiste kleding mag dragen achter de groene tafel. Tijdens de plechtigheid is het tenenkrommend duidelijk dat de promotor nooit verder gekomen is dan de eerste drie paragrafen van het proefschrift, en knarsetandend hoor je de laudatio aan. Toch, Nederland zou Nederland niet zijn als je 'echte' collegae je niet fijntjes, of soms grof, lieten weten dat je eigenlijk tweederangs bent. Hoewel je effectief drie- of viermaal meer werk per gulden verzet dan zij, ben je toch verplicht het epitheton 'bijzonder' in te vullen op cv en formulieren, zoals Victor Hugo's galeiboef Jean Valjean wettelijk verplicht was overal te zeggen dat hij een forçat was geweest.

De universiteiten vinden het prachtig zolang ze je maar als uithangbord kunnen gebruiken. En als dat bord in weer en wind te veel geteisterd wordt, en je valt uit je rol door een kwakzalver een hengst voor zijn kanus te verkopen, sturen ze je een 'vroontje' (u weet wel, zo'n brief waarin je gesommeerd wordt je bij de bedrijfsarts te vervoegen).

Wat de universiteiten kopen voor deze wisseltruc is, zoals met alle trucs, hoogst variabel. Ik heb een collega wiens voornaamste verdienste is dat hij zich als een zoutzak een paar maal om de Aarde heeft laten sleuren. Die baantjes werden vanzelf zijn baantje. Hadden ze maar een echte zak zout meegenomen en die overboord gezet, misschien hadden we dan nog wat geleerd over de atmosferische chemie van natriumchloride. Willekeurig welke sterrenkundestudent gaat quintiljoenen malen verder de ruimte in dan die suffe paar honderd kilometer, maar een student doet dat in de geest, en de geest telt voor niemendal in het land van de accountability.

Hoe kon deze wildgroei ontstaan? Heel eenvoudig: net als alle andere modieuze universitaire rimram hebben ze het zelf in huis gehaald. De 'bijzondere' is, meen ik, lang geleden uitgevonden door Abraham Kuijper, die aldus hoopte geloofsgenoten vermomd in toga achter vijandelijke linies te kunnen parachuteren. Jaren later breidden de politieke partijen die vondst uit en stichtten hele nep-universiteiten: elke zuil zijn eigen uil. Omdat er toen te veel waren moesten ze gaan concurreren, en bedachten ze bijpassende nep-richtingen zoals 'vrijetijdsstudies'.

Daarvoor moest betaald worden, en er werd uitverkoop gehouden. In tegenstelling tot doctor is professor geen beschermde titel. Elke goochelaar mag zich zo noemen, en aldus geschiedt. Uiteraard is het geen eis dat de pseudoprofs gepromoveerd zijn. Op zichzelf hoeft dat niet eens negatief te zijn: waarom zou men de 'ervaringscolleges' van een professor-maar-geen-doctor president-directeur-generaal uit het bedrijfsleven te licht bevinden? Ik weet trouwens zeker dat je in een week of vier van een gepokt en gemazelde PDG meer opsteekt dan van vier jaar gegons over Habermas of Derrida.

Uitverkoop was de simpelste truc die de universiteiten konden bedenken toen zij eenmaal akkoord gegaan waren met het mallotenconcept van de 'ondernemende universiteit'. Een faustiaans contract met faustiaanse gevolgen: zij hebben hun eer en deugd verkocht. Wie dat doet begint in de sigarenrook van een besloten club en eindigt in de regen achter het Centraal Station.

Het is geen wonder dat de universiteiten zich laten aftroeven. De generaals van het grootkwansel zijn namelijk veel beter in de negotie dan al die faculteitsfreaks. Kwanselen is óók een vak en men doet er verstandig aan vaklieden omzichtig te behandelen. Mijn collegae zijn rechtschapen sukkels die zich door de politici van het schellinkje laten aanpraten dat de wetenschap' rekenschap moet afleggen', hoewel de modale bijklussende hoogleraar zich voor een avondvullende lezing laat afschepen met een boekenbon van vijf tientjes plus tweede klas reiskosten. En zo, de krant lezend op het perron, sta ik naar adem te happen bij de hypocrisie van de bestuurders die eerst hun handtekeningen zo gretig onder al die benoemingen hebben gezet.

Laat mij ten overvloede nog even uitleggen waarom een universiteit nimmer een bedrijf kan zijn. De basis van business is een afspraak over een product. Wij dragen bij aan de cultuur, onder andere door in de ruimte te staren en te vertellen over al het moois dat daar is, maar we produceren niks. Desondanks spelen besturen van universiteiten en faculteiten fabriekje, met die gespierde-mannentaal vol van sound and fury over tucht en afrekenen.

Wetenschap is geen handel. Bij de ambachtelijke bakker betaal je twee gulden vijfenveertig voor een brood, maar betaling van tweehonderdvijfenveertig miljard gulden heeft niet tot gevolg dat de Universiteit een geneesmiddel tegen aids over de toonbank kan schuiven. Het achterhouden van steun aan de wetenschap doet wel degelijk schade, maar het betalen voor een afgesproken product is onmogelijk. Alleen over maakwerk kun je een handelsovereenkomst sluiten: Poortvlijt is een product, Van Gogh niet.

Als ik een kwaaie dronk heb zal ik wel eens vertellen waarom ik geen echte prof ben geworden. Mijn volstrekte toewijding aan het vak, en mijn minachting voor wat aan de universiteiten voor politiek doorgaat, zijn daar niet vreemd aan. Mijn vader zei zo af en toe, als ik weer eens in geuren en kleuren over sterrenstelsels of quarks had verteld: 'Jij wordt nooit professor, want je ziet er niet uit als een professor.' Het is nog een geluk dat Pa niet heeft hoeven meemaken dat ik deze reeks cursiefjes schrijf. Maar het is niets persoonlijks: er zijn honderden 'bijzonderen' die soortgelijke verhalen kunnen vertellen.

Gelukkig kan ik altijd nog aan een collega uit Utrecht denken. Om drie redenen: hij is mirakels goed in het vak; hij is ondanks zijn uitgesproken karakter toch echt prof geworden; en ten derde om zijn grootmoeder, die de aankondiging las waarop gedrukt stond dat hij benoemd was tot gewoon hoogleraar. Oma zei: 'Frank, ik ben erg blij, en we zijn allemaal heel trots op je. En, wie weet, misschien word je nog wel eens bijzonder hoogleraar.'