Gereedschap

Niet-tuiniers kunnen zich geen voorstelling maken van de ongerustheid die zich van tuiniers meester maakt bij het zien van voorjaarsbloei. Er zijn culturen waarin ouders hun kinderen afschrikwekkende namen geven om de boze geesten te misleiden; als ze hetzelfde met lentebloemen deden zou ik dat onmiddellijk begrijpen. De furiën zweven boven ze, dreigend met nachtvorst, windhoos, hagel, sneeuw en overstroming, tegelijk of afzonderlijk. Er is niets dat je ertegen doen kunt behalve je ter vertroosting de jaren herinneren dat alles goed ging.

Daar zijn er niet veel van, en een tuinier die het zout in zijn pap waard is kan zelfs in de meest idyllische taferelen aanwijzen wat ermee mis is.

In een hoek van de tuin ontdekte ik een paar ongelofelijk kleine blaadjes die boven de grond kwamen, ze leken op kleine gebalde vuistjes en eerst had ik geen idee wat het kon wezen. Toen herinnerde ik me daar een flink aantal Anemone coronaria 'The Bride' geplant te hebben, en tegelijk met het genoegen ze te zien opkomen realiseerde ik mij dat ze ten prooi kunnen vallen aan al het noodweer dat onvermijdelijk nog op komst is.

Sommige planten hebben de functie de hemel te programmeren. Aldus bijvoorbeeld Cyclamen hederifolium en Hydrangea arborescens: iedere herfst, net voor ze hun apotheose bereiken, vreten de tornado's over onze regio, de regenmeters stromen over en ze worden weer tegen de grond geslagen. Wie denkt dat hij hieraan kan ontkomen door lentebloeiende Cyclamen coum te planten zal ontdekken dat dat ook dezelfde uitwerking heeft: zij zijn in feite de schuldigen achter de stormen die nu razen.

Het is ook het moment om bij het omspitten van de moestuin te ontdekken dat gras heel vroeg in het jaar begint te groeien. Mijn volkstuin is grasrijker dan zou moeten: het begon als gras op de paadjes, maar breidt zich uit. Iemand stuurde mij een briefkaart van een schilderij van Pieter de Hooch, 'Het buitenhuis', waar het gras ook problemen lijkt te veroorzaken. De afbeelding toont een miezerig klein grasveldje, slordig en onregelmatig langs de randen, maar niettemin kortgeknipt. Hoe deden ze dat in die tijd, vroeg ik me af, met een nagelschaartje? De omstandigheden in de zeventiende eeuw waren feitelijk net als die op mijn volkstuin nu: geen waterleiding, geen maaimachines, geen randtrimmers, geen electriciteit, niets.

Maar de zeventiende eeuw liet in feite een triomf in tuingereedschap zien; tot die tijd was er sinds de Romeinen bijna geen ontwikkeling geweest. De Romeinen schoren hun gras met sikkels en langstelige zeisen. Maar rond 1650, ongeveer de tijd dat John Evelyns zijn nooit gepubliceerde Elysium Britannicum schreef, ontstond er een indrukwekkend assortiment van modern uitziend gereedschap. Het was kennelijk mogelijk met een zeis en/of sikkel gras op anderhalve centimeter hoogte glad af te scheren; dat was niet alleen voor grasveldjes als op het schilderij van Pieter de Hooch, maar ook voor gezelschapsspelen als bowls. Ook grasrollers kwamen in die tijd in zwang, en metalen randafstekers. Ook snoeischaren werden in die tijd ontwikkeld.

Het werkelijke gazon, te onderscheiden van golvend grasland dat op gepaste wijze begraasd kon worden door schapen, moest wachten tot de Industriële Revolutie. In 1830 vond Edward Budding de cylinder-grasmaaier uit, geïnspireerd op de schroefcylinder die gebruikt werd in textielfabrieken om de vleug van laken te scheren. De eerste grasmaaiers werden gemaakt door Ransome in Ipswich, Engeland, en er bestaan wondermooie reclameplaten die lieten zien hoe gemakkellijk het maaien van gras was geworden met zo'n machine, zelfs vrouwen konden het doen. Een zo'n plaat toont een enthousiaste jongedame vrolijk bezig een tennisbaan te maaien terwijl er een wedstrijd aan de gang is.

Niemand heeft nog een gemechaniseerde spade uitgevonden die net zo simpel en efficiënt is als de grasmaaier, hoewel er wel spaden schijnen te bestaan uitgerust met een verende hefboom die de rugpijn van het graven zouden elimineren. Maar de enige manier om dat werkelijk te bereiken is nog steeds het te laten doen door iemand anders: de pijnlijkste periode van het jaar, helaas, is nu.

De eerste spaden waren van hout. Het laat zich voorstellen hoe die het contact hebben doorstaan met harde grond zoals op mijn volkstuin of erger, echte rivierklei zoals Maarten 't Hart beschrijft. Later werd het hout versterkt met een soort metalen omhulsel, en ten slotte kwamen de spaden die helemaal van metaal waren. De Romeinen gebruikten naar het schijnt bij het graven alleen hun armen; het gebaar van een spade de grond in stampen, een oergebaar als het zaaien van la semeuse op de Franse postzegels, bestaat pas sinds de Middeleeuwen. Het blad van vroege metalen spaden was zowel van boven als van onderen scherp, hetgeen gruwelijke beelden oproept bij de gedachte er een met je voet de grond in te stampen. Het herinnert aan de tekening, van Glen Baxter als ik me niet vergis, over de uitvinding van de vliegenmepper, waarvan de vroege stadia alleen nog maar uit een frame bestonden, iets als een tennisracket zonder snaren.

Volgens Brent Elliott in The Garden (120:5, mei 1995) 'begon het afplatten van de bovenrand van het blad tot een rand voor de voet als een regionale ontwikkeling, en bleef lang karakteristiek voor de spaden van Zuid Engeland, met zijn zware kleigronden'. Zo is klei dus toch ergens goed voor: het maakt de mensen die het willen omspitten vindingrijk.

Pieter de Hooch kan geen verwoede tuinier zijn geweest; zulke zeventiende-eeuwse vernieuwingen ontbreken op zijn schilderijen. Ook het spelen van bowls op zijn grasveldje is niet voor de hand liggend. Er is geen twijfel aan: tuinieren verandert je manier van waarnemen. Een paar jaar geleden zou ik zelfs niet hebben opgemerkt dat het een tuin moest verbeelden.