De modeshow

Na mijn mislukking als jongste bediende op het kantoor van een glashandel poogde mijn moeder mijn belangstelling te wekken voor een opleiding in het modevak. Eigenlijk had ik al een baantje, al was dat van geheel andere aard. Want nadat ik lange tijd de wens had gekoesterd een echte ballerina te worden, had ik me tevredengesteld met een bescheiden plaats in de revues van mijn ouders door tijdens het verwisselen van de decors te midden van een rijtje zogenaamde girls met hoog opzwaaiende benen op het voortoneel te dansen.

Daar we echter het dieptepunt van de crisisjaren hadden bereikt, gingen er weken voorbij voor mijn vader 'enig emplooi kon vinden'.

Om de nood te lenigen raadpleegde mijn moeder elke dag de rubriek 'Personeel gevraagd' in het Rotterdamsch Nieuwsblad, wat aanvankelijk zonder resultaat bleef, totdat zij een advertentie van Wisbrun en Liffmann onder ogen kreeg - een zaak voor het betere publiek, noemde zij het - waarin een nette leerling-verkoopster voor de japonnenafdeling werd gevraagd. Om de concurrentie voor te zijn ging ik de volgende ochtend vroeg solliciteren, waarbij ik in mijn haast abusievelijk de hoofdingang van het monumentale pand aan de Hoogstraat betrad in plaats van de ingang aan de achterzijde die voor het personeel bestemd was. Deze bleek zich om de hoek op de Grote Markt te bevinden, waar de dienstdoende portier met de vergulde initialen op zijn pet in een glazen hokje over een krant gebogen zat en op mijn vraag bij wie ik me moest vervoegen zonder op te kijken in de richting van een kale trap wees. Door de pijl met 'Directie' te volgen belandde ik op de tweede verdieping in een leren fauteuil tegenover een duur ruikende man die, achter een ontzagwekkend bureau met op iedere hoek een zilveren portretlijst, in het luchtledig starend informeerde hoe oud ik was, of ik al eens in betrekking was geweest en of ik over getuigschriften en diploma's beschikte.

Naar waarheid antwoordde ik dat ik geen van deze documenten in mijn bezit had, al verklaarde ik voor alle zekerheid enkele jaren een avondschoolcursus te hebben gevolgd. Over het echec van mijn kortstondige kantoorbaan zweeg ik wijselijk, en om toch met iets positiefs voor de dag te komen zinspeelde ik trots op mijn aangeboren danstalent en mijn aandeel in het revuegezelschap van mijn vader. Hierbij veerde meneer Liffmann, met wie ik hoogstpersoonlijk te maken bleek te hebben, op alsof hij zich zojuist van mijn aanwezigheid bewust was geworden. Hij stak een sigaar op, monsterde mij van hoofd tot voeten en zei, bedachtzaam een rookwolk nakijkend, dat ik tegen een aanvangssalaris van twintig gulden per maand was aangenomen, waarbij ik als leerling de voorgeschreven donkerblauwe jurk met een wit kraagje zou moeten dragen.

In dit verplichte uniform, dat ijlings bij C&A werd aangeschaft, en de afgedankte pumps van een ouder nichtje waarin mijn vader een zooltje had gelegd, en ik geen vijftien maar wel zeventien jaar leek, maakte ik mijn entree op de damesconfectie. Bij de eerste aanblik leek zich een eindeloze ruimte voor mij uit te strekken, met een beige tapijt waar mijn hakken centimeters diep in wegzakten, en een cirkelvormige balustrade in het midden, die uitzicht bood op de parterre met fournituren en rollen stof.

Ik bleek een gevarieerd aantal taken te hebben. Ze bestonden in het uitstoffen van de grondjes van de klerenkasten, het schoonwrijven met in spiritus gedoopte proppen krantenpapier van de glazen vitrines waarin dromen van avondtoiletten de aandacht trokken, en het assisteren van de verkoopsters en de cheffin van mijn afdeling, die door respectievelijk een zwarte japon met een wit kraagje en een bruine japon met een beige kraagje uit elkaar waren te houden. Zo werd ik geacht meermalen per dag de door hen verkochte goederen die thuisbezorgd of veranderd moesten worden naar het engros op de derde etage te brengen, zonder dat ik van de lift gebruik mocht maken, of het kanten en satijnen ondergoed dat de bezoeksters van de lingerieafdeling - een zijvertrek achter een decent gesloten gordijn - op de toonbank hadden laten liggen in de laden weg te bergen, en de nog lauwwarme kledingstukken die in de paskamers waren achtergebleven in de kasten terug te hangen. Zelfs meneer Meier, de humeurige etaleur, wist beslag op mij te leggen wanneer een van de etalages aan verandering toe was en ik hem moest helpen bij het uit- en aankleden van de poppen, wier seksloze naaktheid achter een schouderhoog gespannen doek schuilging.

Aangezien ik om de week tot acht uur 'late dienst' had, met anderhalf uur tussen de middag om thuis te eten, gebeurde het wel eens dat mijn vader juist in die week een feestavond had, of bij uitzondering een engagement voor zeven dagen in een bioscoop. Met het oog op mijn onontbeerlijke aanwezigheid tussen het toch al zo magere rijtje girls, was mijn cheffin, juffrouw Kouwenberg, mij in zoverre ter wille dat ze mij toestemming gaf vroeger te vertrekken, mits ik de verzuimde tijd zou inhalen. Het verlofbriefje dat zij hiervoor schreef voerde mij tot vlak naast de bureaustoel van de duur ruikende man, die vaderlijk naar het wel en wee van 'het vak' informeerde, terwijl hij ten overstaan van de zilveren portretlijsten, die een niet onknappe vrouw en twee stuurs kijkende jongetjes bleken te omvatten, zijn hand als terloops tegen mijn ruggewervels liet rusten alvorens zijn goedkeuring aan juffrouw Kouwenbergs kattebelletje te hechten.

Halverwege maart was er plotseling van beneden tot boven in het gebouw een nerveuze stemming merkbaar die met de naderende modeshow - iedereen sprak van 'de show' - had te maken. Op het engros, waar de voorjaarscollectie werd geselecteerd, heerste een koortsachtige bedrijvigheid, en de dag voor het grote spektakel was meneer Meier op de confectie met ladders en maatstokken in de weer, hing schijnwerpers in alle hoeken van het plafond en dreef koperen haakjes in de paneellijsten, waaraan hij boogvormige strengen ijzerdraad bevestigde. Deze werden naar een prieelachtig latwerk geleid en gecamoufleerd door guirlandes van roze namaakbloesem, zodat tot mijn verbazing een feestelijke pergola ontstond, waaronder ten slotte een langgerekt platform met een donkerrode loper het geheel voltooide.

Toen ik de volgende morgen de deur opende, stond er bij de hoedenafdeling een als uit de hemel neergedaalde piano, en aan weerskanten van de lentepergola een dubbele rij vergulde stoeltjes met op iedere zitting een genummerde lijst en een roze potloodje aan een roze zijden koord met een kwastje. 's Middags waren ze tot de laatste plaats bezet en mocht het personeel - ook dat van de parterre - zich onopvallend bij de trap verzamelen. Nadat juffrouw Fietje, de jongste en aantrekkelijkste verkoopster, een flacon met een beschaafd parfum over de hoofden van de aanwezigen had uitgespoten, besteeg juffrouw Kouwenberg in haar rol van explicatrice het opstapje naar de lingerie, vanwaar zij iedereen via een microfoon welkom heette.

Intussen had een man in een donker pak zich achter de piano gezet en wervelden op de tonen van Ain't she sweet vier mannequins over de rode loper. Af en toe hieven ze met een hautain gebaar een kaartje omhoog, draaiden met uitdrukkingloze blik om hun as en verdwenen lichtvoetig en kaarsrecht in de richting van de lift, die vier andere mannequins aanvoerde uit het engros.

Leunend tegen de muur staarde ik naar de vlinderachtige wezens die elkaar in flitsend tempo aflosten, ogenschijnlijk ongevoelig voor het applaus dat telkens discreet opklonk en de stem van juffrouw Kouwenberg, die hun namen met een zeker respect afriep en dwars door Tea for two of Lullaby of Broadway heen de kwaliteit van de creaties aanprees.

Zodra de witte bruid met haar gevolg van bruidsmeisjes in wolken van theerooskleurige tule was verdwenen, keerde ik uit een wereld van zorgeloze luxe terug naar de werkelijkheid, waar een hevig gedrang bij de paskamers ontstond, en verliet met een handvol roze potloodjes en een roekeloze begeerte naar het lichtblauwe mantelpak met de zwarte lakceintuur dat onder de bloesembogen was gepasseerd, uren later het gebouw.

Wegens de onbezonnen en onverantwoordelijke aanschaf, zoals mijn moeder het woedend noemde, van het blauwe kledingstuk, waarop ik als personeelslid tien procent korting had gekregen, was ik gedwongen het nog een halfjaar bij W. en L. vol te houden. We hadden er mijn spaarbankboekje voor moeten aanspreken, waarop ik voor straf elke maand de helft van mijn salaris moest terugstorten, tot het oude bedrag was hersteld.