China; Het einde van een historische straat

PEKING, 7 MAART. De Chinese architect Yong Hechang vindt het erger dan dat wat tijdens de Culturele Revolutie is gebeurd met China's cultuurgoed. De bergen baksteen, gebroken dakpannen en versplinterde deur- en raampanelen lijken het resultaat van natuurlijke razernij; alsof sprake is geweest van een aardbeving of orkaan. Maar dit is Dianmen Dajie, de straat van de Poort van de Aardse Vrede, in het oude centrum van Peking.

En de woestenij, langs een strakke lijn van zeven kilometer lengte en zeventig meter breedte, dwars door het hart van de Chinese hoofdstad, is veroorzaakt door een leger van migrantenarbeiders dat in opdracht van het stadsbestuur binnen veertig dagen tijd korte metten heeft gemaakt met één van Pekings laatste historische straten. Hier wordt in iets meer dan een jaar tijd een boulevard van zes rijbanen aangelegd, die op deze plaats voorgoed een einde moet maken aan ellenlange files.

“De Culturele Revolutie is er niets bij”, zegt architect Yong. “Hier gaat het om de vernietiging van een stad.” Yong praat tegen dovemansoren, evenals de enkele andere durfal die de afgelopen decennia tegen de massale afbraak van China's culturele erfgoed in opstand is gekomen. De beroemdste van hen was de architect Liang Sicheng, zoon van de minstens zo beroemde Liang Qiqiao. Deze laatste was één van China's grootste voorstanders van verregaande hervormingen van het keizerlijk bestel, nota bene via overneming van Westerse technieken en kennis. De jongere Liang, zo gaat een vertelling, zou halverwege de jaren zestig plat op de oude stadsmuur zijn gaan liggen, uit protest tegen de plannen van het toenmalige stadsbestuur de eeuwenoude muur te slechten voor een ondergronds metronet. Pas na een beroep van oud-premier Zhou Enlai vertrok de gerespecteerde Liang Sicheng.

Spandoeken langs de kant van de straat van de Poort van de Aardse Vrede roepen op tot medewerking, opdat de hoofdstad “nòg mooier” wordt. Kranten loven het begrip van de mensen. Maar de lof is niet aan iedereen besteed. Twee oude heren bij een bushokje, het enige wat hier nog overeind staat, bespreken de puinhopen. “Waarom niet de Verboden Stad platgewalst”, zegt één van hen over het paleizencomplex waar vele generaties Chinese keizers hebben geresideerd, “dan leggen ze daar een grote parkeerplaats aan en is dat probleem ook weer opgelost.”

Oude mensen zijn koppig en sentimenteel. “Heel begrijpelijk”, stelt de Peking Avondkrant. Maar de jongeren hebben de toekomst en zijn zich bewust dat “het welbehagen van de massa” - de doorstroom van het verkeer - voorgaat. Bovendien, aldus de krant, zo dramatisch is het allemaal niet, want de meeste bewoners gaan erop vooruit. De nieuwe compensatiewoningen liggen weliswaar ver buiten het centrum van de stad, maar qua wooncomfort is het daar vele malen 'moderner' gesteld dan voorheen. De enkele achtergebleven bewoner aan Di'anmen Dajie, van de naar schatting zevenduizend die al zijn vertrokken, beaamt dat. De nauwe straatjes met hun huizen en hofjes ogen misschien pittoresk, maar iedere vorm van comfort is daar afwezig. In de winter is het er koud, de behoefte moet gedaan op het openbaar buurttoilet, wassen gaat in het badhuis en dikwijls ontbreekt een telefoon. Vandaar dat de meeste inwoners geen twee keer hebben nagedacht over het aanbod van de overheid, een paar weken voorafgaand aan de komst van het contingent slopers, te kiezen voor 20.000 yuan (5.000 gulden) compensatie of een appartement voor 15 gulden in de maand. Vrijwel iedereen heeft dat laatste gedaan. Het verliezen van persoonlijke contacten en langere reistijden naar school of het werk zijn van ondergeschikt belang.

Het neemt allemaal niet weg dat het weinige wat China's tastbare verleden nog te bieden heeft, in een razend tempo verdwijnt. Aan weerszijden van de straat van de Poort van de Aardse Vrede en Dongsi Dajie, in het verlengde daarvan, stond tot voor kort het één na het andere historische bouwwerk. Maar bij afwezigheid van een democratisch beslissingsproces is ongehinderd voortgang gemaakt met de sloop. Alleen het 18de-eeuwse woonhuis van de Qing-dynastie prinses Hejing, een deel van het keizerlijke Beihai-park, de voormalige residentie van 'de vader van de Chinese republiek' Sun Yat-sen, en het presidentieel wooncomplex van de militaire bevelhebber en krijgsheer Duan Qirui, wachten nog een beslissing.

Het hoofdstedelijk bureau van stadsontwikkeling zegt er stuk voor stuk rekening mee te houden. “Er zijn slechts twee of drie culturele overblijfselen die deels zullen moeten verdwijnen. De rest, daar moeten we misschien een kleine omleiding voor aanleggen”, aldus een medewerker. Erg overtuigend klinkt hij niet. In het moderne China lijken strak, recht en groot de belangrijkste richtlijnen waar architecten en stadsplanners het mee moeten doen. 'Kleine omleidingen' passen niet in dat concept, laat staan de sierlijke tempelconstructies, ingenieuze hofjes en monumentale tuinen die de fantasie en rijkdom van een lang cultureel verleden bewaren.