1+1=1

BIBLIOTHEKEN waren ooit eerbiedwaardige instellingen waar eerst en vooral stilte heerste. Bibliotheken hoorde je niet, en je hoorde er niet van. Zelfs het uitsterven van de laatste particuliere bibliotheken, nog maar een paar decennia terug, verliep in waardige stilte - en onopgemerkt.

Maar dat is over. De bibliotheekwereld is tegenwoordig regelmatig voorpaginanieuws, en rolt soms zelfs vechtend over straat. Het leenrecht, de oorlog om de Literom, en nu weer de noden van de Koninklijke Bibliotheek, het stof van de ene kwestie is nog maar nauwelijks opgetrokken, of de volgende dient zich alweer aan. Menigeen zal dan ook van de week zijn schouders hebben opgehaald toen de Koninklijke Bibliotheek alarm sloeg: weer zo'n ruzie waarvan een normaal mens toch niets begrijpt. Ten onrechte, want in dit geval gaat het niet om een centenkwestie, of om een of ander stukje politiek gekissebis, maar om een fiks probleem waar ook heel wat andere instellingen mee geconfronteerd kunnen worden. Een probleem dat veroorzaakt wordt door de opmars van elektronische media.

Een van de belangrijkste taken van de Koninklijke Bibliotheek is het archiveren en toegankelijk houden van in Nederland verschijnende publicaties. Dat moet de KB van de wet. De bibliotheek is als het ware ons nationale geheugen, voor zover dat geheugen aan papier wordt toevertrouwd. Of beter: werd toevertrouwd, want een steeds groter deel van de nieuwe publicaties krijgt de KB alleen op diskette, schijf of computertape aangeleverd. Dat zijn media die, hoewel ze er niet naar uitzien, een stuk slechter bestand zijn tegen de tand des tijds dan papier. Ook het slechtste, goedkoopste boek gaat minstens een eeuw of anderhalf mee, voordat het echt uit elkaar valt. Maar zo'n moderne magnetische informatiedrager moet elke vijf tot tien jaar naar een verse kopie worden overgeschreven, op straffe van onherroepelijke vervaging en verdwijning van de gegevens (onthoudt u dat ook maar even voor uw eigen archief, voordat u straks tegen onleesbare floppy's en tapejes zit aan te staren!).

In dat kopiëren zit hem de kneep: tien jaar is heel veel korter dan de beschermingstermijn waarin de Auteurswet voorziet. Die termijn loopt tot maar liefst zeventig jaar na de dood van de oorspronkelijke rechthebbende. En gedurende al die tijd is zonder toestemming van de rechthebbende of zijn erven het maken van kopieën in principe verboden. Voor papieren producten is dat geen probleem, die zijn allang rechtenvrij voordat ze serieus beginnen te vergaan. Maar van elke elektronisch opgeslagen publicatie zou de KB, strikt genomen, elke pakweg tien jaar alle rechthebbenden moeten opsporen en opnieuw om toestemming vragen, totdat de beschermingstermijn verlopen is. En dat alleen maar om een kopie te mogen maken, waardoor de KB behoudt wat ze al bezit.

Dat wordt niet alleen een enorm bureaucratisch circus, maar ook een mijnenveld: wat doe je met partijen die bij de derde keer toestemming weigeren? Daar kunnen ze best hun redenen voor hebben. Wat als de rechthebbenden onvindbaar zijn? Wat gebeurt er als men en masse een vergoeding voor die toestemming gaat vragen? Naar de letter van de wet is deze ellende eigenlijk onontkoombaar. Dat komt vooral door artikel 14. Daarin staat dat 'het vastleggen' van een of ander 'werk' op 'enig voorwerp dat bestemd is om een werk ten gehore te brengen of te vertonen' al als een verveelvoudiging telt. Kopietjes maak je niet om er nooit naar te kijken, dus die tellen mee, ook als het vervangende kopieën zijn. Schijven en tapes bestaan bij de gratie van het feit dat de gegevens erop zichtbaar of hoorbaar gemaakt kunnen worden. Erger nog: wil je een elektronisch stuk tekst op papier beschikbaar stellen, al is het maar ter inzage, dan moet je bij die gelegenheid óók weer een kopie maken. Een kopie die ook weer onder het auteursrecht valt, omdat hij niet voor eigen gebruik gemaakt wordt, maar om er een klant naar te laten kijken.

Het is een probleem dat zich ook op het Internet voordoet: alles waar u naar kijkt wordt van de oorspronkelijke opslagplaats naar uw browser gekopieerd. Nu kun je daar nog met de uitzonderingsclausule uit de voeten, die een of een paar kopieën uitsluitend voor eigen gebruik door privépersonen toestaat. Maar wat te zeggen van 'proxyservers' en 'mirrorsites', die dienen om het Net zo vlot mogelijk te laten werken. Dat zijn niets anders dan opslagplaatsen om de hoek, van kopieën van originelen die zich heel ver weg bevinden.

Aan de andere kant kun je met je klompen aanvoelen dat artikel 14 niet voor dit soort zaken gemaakt is. Lees 'plaat', 'geluidsband' of 'cd' voor dat voorwerp dat dient om iets ten gehore te brengen, en 'film' of 'videoband' voor het voorwerp om iets te vertonen, en het is duidelijk waar het eigenlijk om gaat. Daar praat je ook over echte verveelvoudiging, tot even zovele verhandelbare exemplaren. En ik moet me sterk vergissen, of het is ook altijd zo geïnterpreteerd. Want als je heel nauw kijkt, dan is er ook bij ouderwetse media als film of videoband en de plaat sprake van tussenkopieën en vervangende kopieën. Als artiesten van Caruso tot Conte de studio ingingen om een plaat te maken, werd er eerst een 'master' gemaakt, waarvan weer matrijzen gemaakt werden, waarvan op hun beurt de uiteindelijke platen geperst werden. Zo'n matrijs is weliswaar een negatief, maar toch, evenals de master, een kopie. Toch zijn ze vermoedelijk op geen enkele afrekening ooit voorgekomen.

De onderzoekers van het Instituut voor Informatierecht, die in opdracht van de KB het kopieerprobleem in kaart brachten, stellen voor om in de Auteurswet een aparte passage ten behoeve van de KB op te nemen. Dat lijkt niet de goede weg. Weer zo'n uitzonderingsclausule maakt de wet maar ingewikkelder, zonder het probleem, dat veel breder is, op te lossen. Beter zou het zijn als er eens goed werd nagedacht over een betere definitie van het begrip 'verveelvoudiging'. Een definitie die bijvoorbeeld expliciet rekening houdt met het verschil tussen extra kopieën en vervangende kopieën, tussen 1+1=2 en 1+1=1. Want de elektronische media, die nu eenmaal van kopiëren aan elkaar hangen, zullen alleen maar dominanter worden.

    • Rik Smits