Zeebonken vertellen in de klas over hun reizen; My Sarie Marais, toneelstuk over varen

Geïnteresseerde scholen kunnen bellen met de SKVR-Theaterschool: 010 - 4361366. My Sarie Marais is te zien tot 19/4 in de Hannoloods, Maashaven Noordzijde (Hek 40) Rotterdam. Inl. 010 - 2409846.

Bram Jordaan (63) ziet er uit als een gewone opa in een grijze trui. Maar onder die trui verbergt hij een tatoeage van een groot zeilschip. En als hij begint te vertellen, dan klapperen je oren. Jordaan heeft namelijk 43 jaar als bootsman de wereld rondgevaren. Samen met andere stoere zeebonken vertelt Jordaan dit voorjaar zijn sterke verhalen op verschillende Rotterdamse scholen. Hij doet dat voor theatergroep het Waterhuis. Deze groep maakte een toneelstuk over varen: My Sarie Marais. Het wordt opgevoerd in een havenloods die groter is dan een voetbalveld. Om bezoekende schoolgroepen op te warmen, krijgen ze vooraf een zeeman in de klas.

Onlangs was Bram Jordaan op basisschool de Stelberg. Op kromme zeebenen ijsbeerde hij langs het schoolbord, zijn handen diep in de broekzakken. De verhalen gingen vooral over de streken die hij uithaalde als jong ketelbinkie (hulpje van de kok) en over het slechte eten aan boord: “Het gebit rammelde in mijn mond, door het gebrek aan vitamines.” Lekkere dingen kreeg hij nooit. Hij was dan ook heel kwaad toen de vrouw van de kapitein aan boord kwam en er “drie kippen voor haar op het hakblok lagen”. Jordaan nam wraak:

“Ik heb toen die Barneveldse hardlopers (zo noemden wij kippen) stiekem overboord gesodemieterd. Ze konden niet zwemmen want ze waren al een paar dagen dood.”

Streken haalde hij ook uit. Zo voer hij eens op een schip vol moslims die op bedevaart waren naar Mekka. Deze 'hadzji's' moesten iedere dag bidden met hun gezicht naar Mekka. Daarom lagen in het ruim grote pijlen op de grond die de goede richting aanwezen. Met zijn maten verlegde Jordaan alle pijlen, zodat de moslims de verkeerde kant op baden.

Het mooiste verhaal dat Jordaan vertelde, is niet van hem maar van zijn vader die ook zeeman was. Voor de oorlog kregen de zeelieden een kwartje beloning voor iedere rat die ze vingen. Wat deed de vader? “Hij ving een rat, liet hem aan de stuurman zien, en gooide hem overboord. Eén dek lager stond dan een vriend om de rat op te vangen en weer opnieuw in te leveren. Op één reis had mijn vader soms wel 35 gulden op zijn rattenbriefje staan.”

Na afloop mocht de klas vragen stellen. Iemand vroeg of Jordaans schip wel eens gekaapt was (nee). Een ander wilde weten of hij wel eens schipbreuk heeft geleden (bijna). Een meisje vroeg of Jordaan zijn vrouw niet miste als hij op zee was. Jordaan antwoordde: “Natuurlijk wel. Maar ja, een vrouw en een kip is de pest op een schip.” Achterin de klas fluisterde een stoere jongen: “Bent u wel eens naar de hoeren geweest?” Maar Jordaan hoorde het niet. En de stoere jongen durfde zijn vraag niet hardop te herhalen.