Vrouw bijt hond

Ik heb mijn tanden in de Duitse herder van mijn buren gezet en ik heb hem tot bloedens toe gebeten. Dat is wat men mij wil laten geloven. Ik word aangekeken alsof ik een dierenbeul ben.

Op 9 augustus 1996 liep ik, samen met een vriendin, aan het eind van de middag mijn huis uit om in IJmuiden vis te eten. Het was warm, een temperatuur voor blote benen, blote armen, een jasje los om de schouders voor het geval de zeewind fris zou zijn. Ik had nog geen stap buiten de deur gezet of ik werd besprongen door een hond die aan een veel te lange lijn liep en een muilkorf los om zijn bek had hangen. Moeiteloos kreeg hij me op de grond. Met zijn razende kop boven mijn gezicht begon hij me te bijten. De vrouw die hem uitliet was niet in staat hem tot bedaren te brengen, zodat hij flink zijn gang kon gaan.

De rechterarm is voor de uitoefening van vrijwel alle beroepen van fundamenteel belang, ook van het mijne: links schrijven is me alleen vroeger, tijdens een lagereschoolweddenschap, gelukt - voor de duur van twee regels. Als een bliksemflits ging het schrijven door me heen, de roman die bijna af was, en daarom voelde ik misschien geen pijn. Toen het dier ten slotte van me weggetrokken was en met zijn bazin snel om de hoek van de straat verdween, zette een gevoelloze verbijstering in. Gescheurde kleren, gescheurde huid, het drong niet tot me door. Pas in het ziekenhuis, op de Eerste Hulpafdeling van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, toen ik moest vertellen wat er was gebeurd, kreeg ik geleidelijkaan mijn gevoel terug.

Met een aantal injecties in mijn bloed en de arm in een mitella ben ik toch vis gaan eten, niet in IJmuiden maar dichter bij huis, om me sterker te weten dan het monster dat me had besprongen. Maar 's nachts raakten de verdoving en de whisky uitgewerkt, en ook het stoïcisme dat ik mezelf had opgelegd. Tot de vroege ochtend bleef de hond met de losse muilkorf boven mijn gezicht hangen, zijn bovenlip gekruld tot ver boven het gelige gebit. Ik wist toen nog niet dat deze nachtmerrie zich met een zekere regelmaat zou gaan herhalen, tot de dag van vandaag.

De politie kwam eraan te pas. Er bleek voor dezelfde hond al eerder aangifte te zijn gedaan: bij een andere buurvrouw was hij met zijn tanden in haar jas blijven hangen; zij had geluk dat het geen zomer was. De hondenbegeleider van de politie wist na enig speurwerk te vertellen dat de hond - 'de wolf' noemde hij hem - een afgekeurde politiehond was die schichtig reageerde op in het zwart geklede mensen; het ontbrak er nog maar aan dat hij 'zwarte mensen' zei.

Haal die hond hier weg, smeekte ik, breng hem naar een asiel of naar een huis in het open veld. Maar ik werd afgestraft en het dier beloond met een derde, laatste kans. Ik zei de agent wat ik op de EHBO-post had gehoord, dat alleen dáár al dagelijks drie hondenbeten binnenkwamen, van licht tot ernstig, van kind tot bejaarde, maar de informatie mocht niet baten. De enige winst was dat mijn belager voortaan steviger gemuilkorfd en korter aangelijnd moest worden uitgelaten, en dan niet langs de voordeur maar aan de overkant van de straat.

Aan het litteken op mijn bovenarm ben ik inmiddels gewend geraakt. En ik zou niet de moeite hebben genomen over het voorval te schrijven als de hond niet vandaag, anderhalf jaar na dato, onaangelijnd en woest als altijd langs mijn voordeur had gerend. Toen ik geschrokken achteruitdeinsde, keek de vrouw die hem uitliet, mij aan met een blik die te kennen gaf dat ik niet alleen haar maar ook de hond daarmee kwetste en dat ik, als ik me niet koest hield, bij de Raad voor de Dierenbescherming kon worden aangeklaagd.