Vitesse-voorzitter en Gelredome-directeur Karel Aalbers; Ik voel me soms heel eenzaam

Het Arnhemse voetbalstadion Gelredome is bijna af. Stadion-directeur en Vitesse-voorzitter Karel Aalbers heeft er hard voor moeten vechten om het zover te krijgen. Maar daar wil hij niets meer over horen. Aalbers kijkt alleen naar de dag van morgen - de dag dat Ajax bij Vitesse zal verbleken.

Hoe vind je elkaar in een voetbalstadion dat nog niet af is? Met de zaktelefoon. Maar die van Karel Aalbers staat uit, het wordt gewoon zoeken: twintig minuten buitenom, twintig minuten er dwars doorheen, langs halfgeschilderde muren en bewegingloze roltrappen, door gangen waar de tapijtleggers nog maar net weg zijn. En overal, overal mannen in windjacks die stiekem door de hekken zijn gegaan omdat ze niet kunnen wachten tot het Gelredome echt opengaat (25 maart).

De Vitesse-voorzitter (voor de ene helft van de week) en Gelredome-directeur (voor de andere helft van de week) zit in een bouwkeet, daar waar deze maand nog parkeerterreinen moeten komen en het nu nog een en al modder is. Hij vergadert met het bestuur van de supportersvereniging van Vitesse. Plotseling was er toch weer paniek geweest, over kaarten, over prijzen, en of alles wel op tijd zou zijn. En dan moet je er, vindt Karel Aalbers, zijn voor de mensen. Die moeten, zegt hij, het gevoel hebben dat ze serieus worden genomen. Sorry dus.

De supportersvereniging vertrekt, stamp stamp met de Reeboks over de houten planken, en als je dan Aalbers ziet, met zijn lange donkerblauwe jas, zijn gouden horloge, zijn zwarte instappers, dan denk je: een sigaar erbij en dit is een cartoon uit de tijd dat je bazen en knechten had. Aalbers pakt de sleutel van het stadion. Hij denkt dat die nu nodig is, omdat hij zich vorige week heel kwaad heeft gemaakt over al die vuile voeten op zijn pasgelegde vloerbedekking. En kijk, hij vindt ook nog een deur die op slot zit.

Wat doet een man die na veertien jaar zijn droom werkelijkheid ziet worden? Die gaat wijdbeens in het middelpunt staan, op het speelveld, en jubelt. De kleuren, de stoelen, de koelte in de zomer, de warmte in de winter, de grasmat die door zijn uitschuifbaarheid 292 dagen per jaar gekoesterd en gestreeld kan worden door de zon (als die schijnt), de brede promenades waar ook de weinigbetalende bezoeker overdekt kan wandelen en ondertussen een goedverzorgd frietje koopt. Want Aalbers weet: de bezoeker is in de eerste plaats klant en een voetbalclub redt het allang niet meer met alleen maar wedstrijden winnen. Een voetbalclub is een bedrijf en het verkoopt entertainment. Een dagje uit, zoals je ook naar de Efteling gaat of naar de dierentuin.

Natuurlijk, er is ook aan de veelbetalende bezoeker gedacht. Hoe hoger je komt in het gebouw, hoe intiemer de lounges (roze wanden), en helemaal boven kunnen bedrijven hun eigen skybox kopen, met daarachter private rooms die groter zijn, zegt Aalbers, dan die in de Arena. Daar 35 vierkante meter, hier 40. En ja, ze zijn al bezet. Boven de deuren hangen bordjes: Akzo Nobel, Nuon. Hier moet gaan gebeuren wat bij Ajax zo in de mode is: voor, na en tijdens de wedstrijd met je relaties drinken, eten, zakendoen.

Uit Aalbers' mond geen woord over de moeilijkheden die er geweest zijn voordat het nieuwe stadion er stond. Dat soort vragen hoort hij niet eens. Niets over de tijd dat hij in de voetbalwereld werd gezien als een Don Quichot die vocht tegen financiers die zich opeens terugtrokken (het Duitse bouwbedrijf Holzmann bijvoorbeeld), tegen de gemeente Arnhem die eiste dat de nieuwbouwplannen werden onderworpen aan een milieu-effectrapportage. Vroeger vertelde hij in interviews hoe hij verwachtte dat de mensen op straat Vitesse in één adem zouden gaan noemen met Ajax, Feyenoord en PSV. En nu Vitesse - in de eredivisie weliswaar op een gedeelde vierde plaats met de Rotterdammers - nog steeds als een typisch tafellaken-servetgeval wordt beschouwd, blijft hij dat gewoon herhalen: “Over een paar jaar...”

Hij is zo iemand die altijd overal voorzitter van wordt, op z'n zestiende al van de Arnhemse volleybalvereniging. Op zijn twintigste zat hij in het Nederlands Diamantcomité, enzovoort. Van zijn vader nam hij twee juwelierszaken over, hij maakte er binnen een paar jaar zeven van. Op zijn vierendertigste, hij was toen voorzitter van een van de Arnhemse winkeliersverenigingen, werd hij gevraagd voor Vitesse. Binnen een paar jaar was hij, dat zegt iedereen, de meest succesvolle van het betaalde voetbal. Ieder mens heeft zijn kwaliteiten, zegt hij. En die van hem - hij somt ze geroutineerd op - zijn creativiteit, het vermogen om verbanden te leggen en het feit, zegt hij, dat hij altijd kansen ziet, nooit problemen. En een emotie als trots, waar hij nú wel even aan zou mogen toegeven, kent hij niet. Dat zou hem maar zwak maken. “Ik ben altijd bezig met de dag van morgen.”

Het Gelredome is voor hem maar een tussenstap. “Vitesse moet nu de aansluiting gaan zoeken met de Europese top. Dat is van cruciaal belang. We kunnen niet met AC Milan of FC Barcelona concurreren. Maar bij de eerste zestig, dat moet kunnen.”

Een voetbalclub met een internationale, een mondiale uitstraling - dat wil Aalbers nu. “En dat kan met dit stadion. De belangstelling ervoor is ook mondiaal.”

Dat komt door die uitschuifbare grasmat. (Die trouwens weigerde toen er voor de eerste keer op zou worden getraind.)

Aalbers is ook zo iemand van wie je je voortdurend afvraagt wat hem drijft. “De mensen”, zegt hij, “denken dat het prestatiedrang is.” Zelf weet hij beter. Maar om dat uit te leggen moet hij, zegt hij, een beetje filosofisch worden. “Kijk wat er sociaal-maatschappelijk gebeurt. De wereld wordt steeds sneller, onpersoonlijker, competitiever. Er zijn geen grenzen meer, niet fysiek en niet in de tijd.” Op zichzelf fantastisch, vindt hij. Maar: “De mensen hebben ook de behoefte om ergens bij te horen. Vroeger was het de kerk, de buurt, de kroeg. En nu, zeg ik, heb je met een modern voetbalbedrijf een geweldig middel om mensen een nieuw houvast te bieden.”

Aalbers heeft er al ervaring mee. “Ik had hier een rondleiding met scholieren en na afloop komt er een echtpaar naar me toe dat me een briefje geeft van hun gehandicapte dochter. Vitesse is the biggest, had ze geschreven. I love you.”

Ander voorbeeld: “Komt een man naar me toe wie z'n vader in de terminale fase verkeert en die nog één laatste wens heeft: met mij op de foto, in het Gelredome. Dan realiseer je je wat zo'n club en zo'n nieuw stadion betekenen voor mensen. Wat dat voor een binding geeft.”

Hij drukt het zijn voetballers ook op het hart, zegt hij. Wat ze kunnen betekenen voor de maatschappij. “Ik vertel ze dat zij de filmsterren van het jaar 2000 zijn.” En het helpt. “'s Zomers organiseren we toernooien voor geestelijk gehandicapten, samen met onze spelers, en ik zie dat er jongens zijn die dan met sinterklaas weer naar het elftal gaan waar ze mee zijn opgetrokken. Dat vind ik klasse.”

Maar doet u dat niet in de eerste plaats om geld te verdienen? U bent toch een bedrijf?

“Nee! Onze doelstelling is: zo hoog mogelijk spelen voor zo'n groot mogelijk publiek. Geld is alleen maar het middel om dat te bereiken. Het kan alleen als je genoeg verdient.”

U heeft de reputatie van iemand die over lijken gaat. De affaire Spelbos wordt u nog steeds nagedragen.

(Aalbers wilde van hem af en had al een nieuwe trainer gevonden voordat hij Spelbos had verteld dat hij hem niet meer wilde.)

Aalbers: “Ik heb dat heel erg gevonden. Als je zelf iemand erbij haalt en je moet toch weer afscheid nemen, dan heb je als bestuurder gefaald. Ik vond toen dat ik moest opstappen. Maar de raad van toezicht heeft me ervan weerhouden. Men zei: iedereen maakt fouten.”

Als je iets tot stand wilt brengen dat boven de middelmaat uitstijgt, zegt Aalbers ook nog, dan moet je soms dingen doen waarvoor je geen applaus krijgt. “Als mensen niet aan de kant gaan om het moment dat het in het belang van de club wel moet, dan kun je twee dingen doen. Zelf afhaken. Of ze een douw geven.”

Hij is even stil. “Ik voel me soms heel eenzaam hoor.”

Door Vitesse veranderde Karel Aalbers van een juwelier - hij verkocht zijn zaken aan zijn tien jaar jongere broer - in een directeur van een handelsfirma, die vooral zaken doet in Rusland en andere landen die vroeger communistisch waren. Die firma heeft Aalbers twee jaar geleden ook verkocht, voor het geld hoeft hij niet meer te werken. Hij participeert nog wel in een paar projecten, zegt hij, maar dat is “alleen financieel”.

Met die handelsfirma begon het zo: Aalbers werd gevraagd om in Moskou een lezing te geven over sportmarketing, al vóór de Val van de Muur, en daar zat toen toevallig de directeur van de Russische documentairestudio bij. Die wilde een reportage maken over de beste keeper ter wereld.

Of Aalbers voor een sponsor kon zorgen, vroeg hij. Zeventigduizend dollar. Dat kon Aalbers en daarna werd hij uitgenodigd voor een lezing op het ministerie voor de Zware Industrie en daar ontmoette hij Boris Jeltsin en die had een paar voorstellen en voordat Aalbers het wist kocht en verkocht hij van alles - van adviezen tot complete fabrieken - en zette hij honderden miljoenen om.

Hij is misschien wel de ultieme Nederlander. Hij bewòndert de Amerikanen, zegt hij. (“In een pretpark bij Los Angeles hadden ze een probleem met het parkeren, er was alleen een stuk land beschikbaar op twee kilometer afstand, een halfuur lopen. Ze kochten het toch en binnen een paar dagen hadden ze zeven manieren bedacht waarop ze de bezoekers die afstand konden laten overbruggen, tot en met een ritje op de rug van een olifant.”) Maar hij zou niet willen zijn als zij. “Daar telt alleen je portemonnee.” Hij is, zegt hij, een gewone jongen die graag wil dat de supporters hem gewoon Karel noemen. En die vindt dat “de man met de uitkering” voor 145 gulden een jaarkaart moet kunnen krijgen. “Dan betaalt het bedrijfsleven maar wat meer.”

Dat klinkt naar Robin Hood.

“Ach welnee, ik matig me niks aan.”

Zou u niet liever voor Ajax werken?

“Ajax heeft me nooit gevraagd.”

Hij lacht. “Ajax is een fantastische club. En ik ben wel zo dat ik kijk: wat kan ik ervan pikken. Ik wil beter zijn dan zij. Dat is mijn streven. Zíj hebben honderdduizend leden, wij veertienduizend, zij hebben vijf Europacups in de kast, wij niet. Maar ik zet me niet tegen ze af. Ik kijk hoe we Vitesse op onze eigen manier omhoog kunnen krijgen.”

Gaat Vitesse straks ook naar de beurs?

“We laten ons informeren. We denken erover na. Onze penningmeester is fiscalist bij Deloitte & Touche. Je denkt: hoe garandeer ik de continuïteit van de club, hoe voorkom ik een vijandige overval en hoe zorg ik ervoor dat dividend niet het belangrijkste wordt voor de investeerder. Ik zal de beursgang van Ajax met meer dan gewone belangstelling volgen.”

Maar zal het bedrijf Vitesse kunnen concurreren met het bedrijf Ajax, dat een meer dan twee keer zo grote omzet heeft?

“Het verschil tussen een gewoon bedrijf en een voetbalbedrijf is: we hebben competitie nodig. Ajax heeft er belang bij dat wij blijven bestaan.”